Vanuit een zonnig en warm Chicago (24C!), alweer een volgend bericht. De dag is nog lang niet om, maar ik heb nu even de tijd, tussendoor de bezigheden, om snel even wat te typen.
Megan en ik wilden vanmorgen naar Chicago, een tweedehands boekwinkel genaamd Powell’s om precies te zijn; dus we vertrokken gewapend met een routebeschrijving richting het Noorden. We hebben de winkel niet gevonden: we reden door op de juiste straat, maar die liep dood voor het juiste nummer verscheen. Intussen waren we in een slechte buurt terecht gekomen, met bouwvallige huizen en stereotypische mensen voor wat een heuze “black neighborhood” was.
Na het opgeven van de zoektocht zijn we naar het centrum gereden, waar Megan de weg beter kende. We parkeerden de auto in een garage en liepen naar buiten, Millenium Park in. Je hebt er goed zicht op de schitterende rij hoogbouw en je hebt er het geijkte toeristische punt rondom “The Bean”: een kunstachtig voorwerp met reflecterend oppervlak, waar iedereen foto’s maakt of zich laat fotograferen. Enkele jaren eerder liepen enkele vrienden en medestudenten er nog rond–weer zo’n bevreemdende gewaarwoording die een diepe indruk achterliet. Alsof je in vertraging alsnog met ze mee bent gegaan en van dezelfde plaats geniet.
Rond het middaguur hebben we een frietje gehaald bij de MacDonald’s en we slurpten het restant van onze frisdrank op de stoep van The Art Insitute weg, onderwijl de mensen observerend. De “Artsy fartsy people” zagen er net iets anders uit, liepen net iets anders, praatten ook net iets anders, dan de gewone voorbijgangers; vooral ook dan de straatkrantverkoper die dezelfde grap herhaalde tegenover nietsvermoedende nieuwe voorbijgangers; anders, ook, dan de emmertrommelaar die werd weggestuurd door de politie. Straattaferelen in een wereldstad die glanst in de zon. “The earth does not rotate as rapidly in Chicago,” zei Megan, omdat ik opmerkte dat het leek alsof de tijd stilstond; ervaringen voor een dag opgedaan en het was nog nauwelijks voorbij 12 uur.
Grant Park bleek niet zo ver weg te zijn van waar we zaten, dus liepen we in die richting. Rustig genietend van de zon, wierp ik een nonchalante, vluchtige blik naar links. Daar zat Hij, op dezelfde stoel waaruit hij voor zijn evenbeeld in het noordelijker gelegen park was opgestaan: Seated Lincoln, statig en pensief, poserend voor een foto met mij.
Er blijkt een heuse Aziatische Lieveheersbeestjesplaag te zijn in Chicago; deze bijten, in tegenstelling tot onze Europese variant, dus de Amerikaanse jeugd is wat minder enthousiast over de kleurige kevertjes. Ik zat binnen 30 seconden onder 10 van deze niet-zo-lieveheersbeestjes, dus we vertrokken weer vlug. Hoewel het niet lang geduurd heeft, verliet ik de plaats helemaal onder de indruk: ineens zat hij daar, de Grote Emancipator, op een rustige plek in deze zonovergoten stad. “I feel suddenly alive,” zongen The Weakerthans nog even in mijn hoofd.
Chicago ligt letterlijk aan Lake Michigan, en heeft een onopgesmukte promenade langs het water, waar we nog even gezeten en gepraat hebben, voordat we weer terug reden naar huis. Nog even vingen we op hoe een voorbijganger de politie uitlegde dat hij een man met een groot mes had zien langslopen: “In that direction,” zei hij, wijzend in de richting waarin wij liepen. Misschien was het een Halloweenkostuum, suggereerde ik tegen Megan; misschien, dacht ik bij mijzelf, was het gewoon weer zo’n gekke Amerikaan.





