Andries Knevel, Is het waar? (Ten Have, 2008), 336p. ISBN 9789025959326 €7,99 bij De Slegte
“’Je bent toch bezig met de vraag of we aan kunnen tonen of de Bijbel waar is?’ ‘Ja, dat is mijn jaarthema, dat ik door dit boek heen vlecht, als het me lukt’” (p158).
Waar is het?
Mensen die niet zo veel ophebben met de Evangelische Omroep, krijgen jeuk van Andries Knevel—om zijn maniertjes en retorische vragen als hij iemand interviewt, maar ook, neem ik aan, zijn theologische gezever. Toch heb ik eerlijk gezegd heb ik altijd stiekem een zekere bewondering gehad voor Andries Knevel. Dat geldt met name zijn enorme belezenheid en toegewijde voorbereiding, want hij lijkt zijn gasten van tevoren al ruimschoots te hebben doorgespit. Bovendien komt in vele gesprekken een bepaalde reflectie naar boven die, ondanks het retorische karakter van zijn vragen, toch oprecht lijkt te zijn. Misschien is dat juist, omdat hij tijdens zijn meticuleuze lezen zelf tegen die twijfels opgelopen is.
Zijn Is het waar? is Knevels tweede boek in de dagboekvorm, waardoor hij kort en persoonlijk kan reageren op actualiteiten en gedachten kan delen die opborrelden bij het lezen van boeken of artikelen en het zien van tv-programma’s of films. Hieruit blijkt steeds, dat Knevel inderdaad veel nadenkt over de toekomst en invulling van geloof en kerk, alsmede de relatie tot de (buiten)wereld, op persoonlijk en professioneel niveau: welke richting moet de EO uit; wat doen kerken goed of verkeerd in het aantrekken of behouden van mensen; communiceren ze hun bedoelingen op een goede en begrijpelijke manier?
Het boek staat weliswaar vol geloofsvragen, zoals de titel belooft, maar die betreffen vooral de aard en niet de kern van het geloof. Knevels twijfels zijn twijfels over zichzelf en zijn geloof; maar uiteindelijk legt hij alles in de handen van god, aan wie hij nooit twijfelt. Dan vraag ik mij af: waarom niet? Waarom rest, temidden van alle vragen, dat rotsvaste geloof in een god die afhankelijk is van aannames, interpretaties en geloof? Knevel moet, in zijn belezenheid en reflectie, toch weten dat je moet kunnen twijfelen aan het fundament. Dat geldt voor paradigma’s over wetenschap, democratie, rechtsfundering, maar dus ook voor godsgeloof.
“Hoe meer ik studeer, hoe meer ik overtuigd raak van de waarheid van het christelijk geloof” (p185).
Sapere Aude
Volgens de achterflap is Knevel “bij uitstek ook iemand die overal vragen bij stelt. Juist moeilijke thema’s pakt hij bij de kop om ze kritisch te onderzoeken,” maar hij lijkt zich, behalve in de titel van het boek, niet echt af te vragen: is het waar? Zelfs als hij een aanzetje lijkt te geven, is het vervolg een anticlimax: hij leest een boek of spreekt een medechristen, concludeert dat alles klopt en prijst zichzelf gezegend en bevoorrecht in zijn geloof.
Als Knevel zich bijvoorbeeld afvraagt (p134) “Waarom blijven mensen eigenlijk geloven?” betrekt hij de vraag op zichzelf en antwoordt, dat hij “op drie manieren geestelijk en theologisch gevoed” wordt: hij leest iedere dag “theologische lectuur,” hij krijgt erg veel mee van de preken die hij ieder zondag beluistert en hij werkt bij de EO, een stimulerende omgeving vol inspirerende gesprekken. Met andere woorden, hij blijft geloven omdat hij het constant van alle kanten bevestigt.
Ook als hij zich voor discussies of cursussen verdiept in apologetiek, de geloofsverdediging, komt hij terecht bij argumenten voor god, maar nimmer bij argumenten tegen god, behalve uit de mond van geloofsverdedigers. Zo leest hij boeken van Lee Strobel, Alister McGrath en het boek “ik heb niet genoeg geloof om atheist te zijn” (p33-34), maar zijn geloofskritische auteurs opvallend afwezig in zijn literatuurlijst (achterin het boek)—zij die allerlei geloofsaannames onderuit kunnen halen, zoals bijvoorbeeld Dan Barker (Godless), Jerry Coyne (Why evolution is true), of George Smith (Atheism, the case against god) doen.
Het is dus niet verwonderlijk dat Knevels geloof overeind blijft. Zoals hij niet goed begrijpt waarom mensen niet overtuigd worden van zijn waarheid, zo krijg ik een bittere smaak in mijn mond van zijn onoprechte geloofsonderzoek. Het ontbreekt aan elke tegenwerping; stellingen worden alleen maar herhaald. Het lijkt op het abortuspanel dat recent werd opgesteld in de VS, waar alleen maar gelovige mannen aan het woord kwamen. Het is makkelijk het eens te zijn met medestanders.
“… een bewezen God [is] een niet-bestaande God. God is oneindig veel groter dan dat ik hem zou kunnen bewijzen, maar tegelijkertijd kan ik heel wat aanwijzingen geven die wijzen op de betrouwbaarheid van het getuigenis aangaande God” (p33). “… een god die wij kunnen begrijpen of kunnen bewijzen, is geen God, maar een menselijk verzinsel. En God is geen menselijk verzinsel” (148).
Waarlijk
Twee citaten richting het einde van het boek zijn typerend voor Knevels benadering en illustratief voor de blinde vlek in zijn zoektocht en de balk in zijn oog. “Nu nog een keer een boek lezen van een kritische geleerde op het terrein van het Nieuwe Testament,” geeft hij toe (p309), “hoewel ik dat al best veel heb gedaan. Maar ze konden me niet verder helpen.” Als elke bevestiging verder helpt en elke kritische noot die geplaatst wordt niet, dan ben je bezig met versteviging van je mening en niet met “kritisch onderzoek,” zoals de achterflap belooft.
Een halve pagina verder (p310) bespreekt hij kort hoe hij Paul Verhoevens biografie over Jezus leest. “Met die mooie openingszin,” die Verhoevens levenslange fascinatie introduceert, maar een “minder fraaie” slotzin, waarin Jezus dood en niet wederopgestaan verklaard wordt. “Spijtig,” pruttelt Knevel, “dat Verhoeven zich zo eenzijdig heeft geörienteerd. Hij had ook een heel ander boek kunnen schrijven.” Eigenlijk is dat, in twee zinnen, mijn bevinding van Is het waar? Eenzijdige oriëntatie, met als gevolg een eenzijdig boek. “Het jammere is dat Verhoeven in een tunnelvisie terecht is gekomen,” orakelt Knevel verder onbewust over zijn eigen boek (p312), “want hij citeert bijna alleen maar wetenschappers met wie hij het eens is.”
Kortom, hoewel ik toch enigszins jaloers word van het aantal boeken dat Knevel verslindt (om de pagina lijkt hij in een ander boek te beginnen), kan zijn invalshoek mij maar niet bekoren. De vraag Is het Waar? oprecht (centraal) stellen is hem niet gelukt en ik vraag me steeds af waarom hij zijn beperkte keuzes maakt. Dat is me gaandeweg steeds meer gaan irriteren. Irritatie? Verhip, ik geloof dat ik tot mijn grote spijt moet ik concluderen dat ook ik, na het lezen van dit boek, waarlijk jeuk krijg van Andries Knevel.
“God sterft in zijn Zoon Christus voor onze zonden. Dit lijkt voor gewone stervelingen dwaasheid te zijn. Dit grote wonder moet je dan ook niet gaan beredeneren, maar mag je als geschenk aanvaarden. Nooit zal ik een poging doen om voor dit wonder welke rationele verklaring dan ook te zoeken. Onmogelijk! Dit wonder vraagt overgave en aanbidding en geen geredeneer” (p287-288).
Met zijn boekjes heeft Pieter Overduin een aardig beeld geschapen van de Manisch-Depressieve Stoornis, dat door de lengte, schrijfstijl en humor vlot leest en zeer toegankelijk is. Zijn bedoeling is om inzicht te verschaffen en hij hoopt dat de lezer “na het lezen van dit verhaal [...] minder snel, milder of niet oordeelt over mij en al die andere Goden en Gandhi’s” (God is in de war, p100).
Anders dan zijn Atheïstisch Manifest bestaat Philipses Filosofische Polemieken uit verschillende korte artikelen die hij schreef voor ondermeer het NRC Handelsblad. Dat maakt de onderwerpen nooit hoogdravend of langdradig, maar altijd kort en krachtig en heerlijk leesvoer voor ’s avonds op de bank, om even op adem te komen, of als er niet veel tijd meer is om nog even wat te lezen.




