Ik houd van mijzelf … en dat is wederzijds (2001)
In zijn eerste boekje over zijn manisch-depressieve stoornis gebruikt Pieter Overduin de dagboekvorm. Alleen het voor- en nawoord, moeizaam geschreven door psychiaters, en een summiere toelichting over wat de Manisch-Depressieve Stoornis (MDS) precies is, wijken daarvan af. Dat is logisch, want het boek is gebaseerd op de dagboeken die Pieter in de loop van de tijd schreef.
Daarmee wordt het een blik in de gedachten en gevoelens van degene die manisch-depressief is, dus tastbaarder en makkelijker leesbaar dan algemene of wetenschappelijke verhandelingen, maar de lezer krijgt toch een goede indruk van de manier van denken tijdens depressie en manie. Tijdens de eerste heerst er een totaal gebrek aan zelfvertrouwen, een overdaad aan angst, apathie en zelfvervreemding. Dezelfde gevoelens treden ook in tijdens een manie, waar het onrealistische zelfbeeld eigenlijk totaal tegenovergesteld wordt: de patiënt denkt dat hij alles kan—of beter, dat hij overal goed in is.
In de beschrijvingen gebruikt Overduin veel humor en woordspelingen (zie bijvoorbeeld de titel, maar ook “mijn tanden hebben het voor hun kiezen gehad,” p82), wat het bovendien vermakelijk maakt om te lezen. Dat leidt echter misschien af van de ernst van de gevoelens, want in een depressie is de humor vooral sarcasme, een manier om met de wereld om te gaan. Als de schrijver er zelf om lacht bij het schrijven, is het hoogstens schamper of minzaam. Er wringen dus wel degelijk schoenen met dit boekje.
Zo geeft de humoristische titel bijvoorbeeld een slecht beeld van de inhoud. Niet alleen verwijst hij alleen naar het manische, waarmee het een onevenwichtig beeld geeft omdat depressies langer duren en een groter deel van het boek omvatten; de humor suggereert daarenboven dat manies best komisch zijn. De auteur schrijft nota bene zelf (p64), dat zijn omgeving veel meer last heeft van de manies dan de depressies, omdat hij zich dan overgeeft aan destructieve overdaad en koopwoedes.
Hoe moeilijk naasten het kunnen hebben met zulke manies, staat beschreven in het tweede boekje van Pieter Overduin.
God is in de war, Hij denkt dat Hij Pieter is (2004)
Dat Overduin in dit boekje mensen uit zijn omgeving aan het woord laat, klinkt veelbelovend en kan een extra dimensie toevoegen aan het geheel. De beleving van mensen in de omgeving van iemand met MDS is immers heel anders dan die van de persoon zelf. Deze benadering pakt soms goed uit, omdat het zorgt voor meerdere kanten van het verhaal—die van familieleden of een psychiater—en dus meer inzicht verschaft in de beleving. Aan de andere kant zorgt het soms alleen maar voor herhaling, omdat de feitelijke gebeurtenis niet verandert en je twee keer hetzelfde leest.
Het voornaamste thema van dit boek is Overduins manie, waarin hij achtereenvolgens ervaart dat hij rijk, Gandhi en God is. Hij steekt zich in diepe schulden en maakt zich op om naar India—zijn thuisland, als Gandhi—te gaan. Zijn familie weet hem te overreden om thuis te blijven, zich te laten opnemen om behandeld (en beschermd) te worden, alles met de uiteindelijke bedoeling om door de manie heen te komen en zijn MDS onder controle te krijgen.
Toch kampt Overduin ook ditmaal met de indruk van misrepresentatie. Hij schrijft (p67): “bij ongeregeldheden pak ik mijn schrift. En laat mijn pen de tong van mijn geest zijn.”[Sic*] Overduin lijkt niet zozeer het leven met MDS te beschrijven, maar vooral het abnormale in dat leven. Natuurlijk zijn de gewone elementen uit het leven minder opvallend, interessant of grappig, maar op deze manier krijg je een aaneenrijging van “bijzondere” situaties, die de indruk wekken dat het manisch-depressieve leven constant zo is en dus lijkt het alsof die situaties normaal zijn.
De moeilijkheid hiervan erkent de schrijver, al dan niet bewust, als hij schrijft (p101): “voor [mijn omgeving] ben ik altijd manisch-depressief. Zelfs als ik niet manisch-depressief ben.” In en door zijn boeken is het niet anders: de ziekte voert de boventoon in de beeldvorming.
Een onrustige geest (1995)
Met zijn boekjes heeft Pieter Overduin een aardig beeld geschapen van de Manisch-Depressieve Stoornis, dat door de lengte, schrijfstijl en humor vlot leest en zeer toegankelijk is. Zijn bedoeling is om inzicht te verschaffen en hij hoopt dat de lezer “na het lezen van dit verhaal [...] minder snel, milder of niet oordeelt over mij en al die andere Goden en Gandhi’s” (God is in de war, p100).
Wat daar nog enigszins bij in de weg staat, is het feit dat Overduin steeds zelf degene is die stopt met de medicatie. Daardoor krijgt de MDS steeds de overhand en wordt zijn leven, maar ook dat van de mensen om hem heen, ondersteboven gekegeld. Daarvoor krijg je geen begrip, als je Ik houd van mijzelf en God is in de war leest, zelfs al vind je Pieter Overduin een grappige en sympathieke man.
Daarom is het aan te raden, voor mensen die meer inzicht in de Manisch-Depressieve Stoornis willen krijgen, om naast deze boekjes ook De onrustige geest (An Unquiet Mind) van Kay Redfield Jameson te lezen. Zij is een vooraanstaand psychiater, gespecialiseerd in MDS, maar bovendien ervaringsdeskundige want zelf ook manisch-depressief.
Hoewel haar boek wetenschappelijker en informatiever van aard is, schrijft Redfield Jameson zeer leesbaar. Bovendien verschaft ze veel meer inzicht in de problematische motivatie van patiënten, iets wat bij Overduin alleen als een bijzin voorbij komt. Zo hebben mensen moeite met medicijnen slikken, omdat ze dat ervaren als een aantasting van hun identiteit. Dat kan zelfs zo ver gaan, dat mensen de instabiele (maar echte) toestand van depressies en manies verkiezen boven een stabiel maar afgevlakt leven. Ze verlangen bovendien vaak naar de creativiteit en levenslust van manies. De diepe dalen die onvermijdelijk volgen worden dan even vergeten of op de koop toegenomen.
De boeken van Overduin zijn nieuw te koop; het boek van Redfield Jameson momenteel alleen nog tweedehands.
- – -
[*] Ik laat deze opmerking liefst buiten deze korte recensie, maar toch moet het me even van het hart. Het citaat van pagina 67 uit God is in de war laat zien, dat Overduin zich, vooral in zijn tweede boekje, overgeeft aan een neiging om zinnen zo kort mogelijk te houden, ook als dat niet hoeft. Er is namelijk geen enkele goede reden om die zin in tweeën te breken met een punt.
Anders dan zijn Atheïstisch Manifest bestaat Philipses Filosofische Polemieken uit verschillende korte artikelen die hij schreef voor ondermeer het NRC Handelsblad. Dat maakt de onderwerpen nooit hoogdravend of langdradig, maar altijd kort en krachtig en heerlijk leesvoer voor ’s avonds op de bank, om even op adem te komen, of als er niet veel tijd meer is om nog even wat te lezen.




