White and Greens in Blue
Boven mijn eettafel hangt een Mark Rothko. Natuurlijk geen echte, maar een posterversie van “No14. White and Greens in Blue.” Die heb ik eens als kado voor mijn verjaardag gekozen, omdat ik er een prachtig liedje van Dar Williams in herkende, waar ik destijds veel naar luisterde. Dat kwam allereerst door de titel van dat nummer, “Mark Rothko song,” maar veel meer nog door de eerste zinnen:
“The blue it speaks so full.
It’s like a beauty one can barely stand.
Or too much things dropped in your hand.
And there’s a green like the peace in your heart, sometimes.
Painted underneath the sheets of ashy snow.”
Dezelfde kleuren komen er in terug, zodat het lijkt alsof de tekst over dit specifieke schilderij gaat; maar ik weet niet of dat ook zo is.

Dit werk sprak me bovendien meer aan dan Rothko’s bekendere werken, die meestal kaften of kalenders over de schilder sieren, waarin hij vooral gebruik maakte van combinaties met oranje en geel. Ondanks deze associatie en positieve indruk, heb ik Rothko’s werk nooit zo goed gesnapt. Ik ben geen kunstkenner en de abstracte vormen van “No14″ deden mij nog het meest denken aan een bed met omgeslagen laken en een kussen, van bovenaf bekeken.
De grote bocht
Dat veranderde grotendeels toen ik een hoofdstuk las in het (verder overigens tegenvallende) werkje “De grote bocht,” van Peter Delpeut. In het boek beschrijft Delpeut zijn fietstocht door de VS van Oost naar West. Hij komt op een gegeven moment bij Monument Valley, “een buitenissige verzameling plastieken van rood steen en de onwaarschijnlijke ruimte daartussen.”
Tegen het vallen van de avond raakt Delpeut bevangen door het lichtspel van de laaghangende zon: “dieprode tinten gloeien langzaam op, een gelig rood neemt bezit van de mesas en buttes. Daar waar de zon niet komt, in de lange schaduwen van de schemering, wordt het rood juist donkerder, van een voornaam karmijn, tegen donkerbruin of zelfs zwart aan. [...] Het land verliest langzaam zijn concreetheid. Wat rest zijn grote, rafelige vlakken rood en donkerbruin en zwart. Een Rothko in steen.”
Het sublieme
Natuur en kunst versmelten en zetten in mijn gedachten een draaikolk in werking, waarbij cultuur in natuur herkend wordt, natuur in kunst wordt weerspiegeld, die natuur weer doet denken aan kunst die geïnspireerd is door indrukken van de wereld. Delpeut herinnert een bezoek in de jaren zeventig, aan een galerij met werken van Rothko, en hoe hij er bevangen werd door de indrukken: “Mark Rothko [...] zou tevreden hebben vastgesteld dat ik was bevangen door het sublieme.”
Delpeut legt uit dat Rothko in het verlengde gezien kan worden van 19e-eeuwse kunstenaars als Thomas Cole en Frederick E. Church, schilders die geprobeerd hadden de imposante grootsheid van de Amerikaanse natuur te vangen en los te laten, “schilders van wat the sublime werd genoemd.”[1]
Toen Delpeut in de zaal met rode schilderijen van Rothko kwam, wist hij niets van Rothko en diens ambities om het sublieme op mensen over te brengen in zijn werk, maar hij werd er niettemin door overweldigd en overtuigd: “wat mij betreft mag Rothko aanspraak maken op het sublieme, ik heb het ervaren toen ik voor het eerst voor zijn schilderijen stond.”
Monument Valley
In Monument Valley ziet Delpeut dus Mark Rothko terug, de donkere kleurcombinaties en schitterende effecten in de indrukwekkende natuur. Het roept de herinnering aan zijn ervaring met het sublieme op en stelt dat, “als er één landschap aanspraak zou mogen maken op het sublieme, dan is het Monument Valley.” Toch ervaart Delpeut voornamelijk rust en meditatie en niet de huivering, de complete overweldiging die hij associeert met het sublieme. Monument Valley en de gedachten zijn geworden tot, wat hij noemt, “een culturele referentie, een idee,” dat veel te bekend is geworden om nog te verrassen: “Alle eerdere beelden van Monument Valley hebben me de kans op het sublieme ontnomen.”
Het verwarrende en fascinerende spel van natuur en cultuur gaat zo door, waarin het sublieme van de natuur zo bekend is geworden in schilderijen en foto’s die het overbrengen van het sublieme nastreefden, dat dat sublieme karakter langzaam verloren gegaan lijkt te zijn.
Indrukken
Samen met Dar Williams, die een vredig en rustgevend effect bezingt in haar “Mark Rothko Song,” heeft Delpeut met zijn overdenkingen over Mark Rothko mijn ogen geopend over wat er achter schijnbaar nietszeggende schilderijen kan zitten. Die hoef je dan helemaal niet te snappen of begrijpen, je hoeft er niets in te zien; je hebt je eigen associaties bij de werken en kunt ze ondergaan en er gewoon van onder de indruk raken.
Soms, als ik naar mijn Rothko kijk en alleen nog maar een deken met lakenrand en kussen zie, merk ik dat ik ineens het liedje van Dar Williams begin te neurieën. Dan pak ik even Delpeuts boekje erbij, om weer te lezen over Rothko in de rotsen en in vervoering te raken. Op andere momenten zijn mijn gedachten ergens anders en hangt de poster simpelweg mooi te wezen, daar boven mijn eettafel.
- – -
[1] Het toeval wil dat, toen ik koos voor de Rothko-poster, ik op zoek was naar een poster van Frederick Church, een schilder wiens werken van de (Amerikaanse) natuur ik indrukwekkend vind. Dat ik vervolgens een poster heb gekozen van iemand die, op een heel andere wijze, eenzelfde ervaring nastreefde, kon ik op dat moment niet vermoeden.
Alle citaten van Delpeut komen uit “De grote bocht: kleine filosofie van het fietsen,” (Rainbow Pocket 2003), pp. 134-142.






