Er zijn gelovige mensen die in gesprekken nog steeds terugvallen op dat ene (non-)argument: je kunt niet bewijzen dat god niet bestaat. Het zorgt voor een veilige cocon waarin hun geloof schijnbaar onaantastbaar wordt voor tegenargumenten: God bestaat, totdat je het tegendeel bewijst.
Overigens hebben ze ergens wel gelijk, want behalve misschien bij logische tegenstrijdigheden kun je niet bewijzen dat iets niet bestaat (of kan bestaan). Niet dat dat betekent dat het waarschijnlijker wordt dat het wel bestaat, natuurlijk, maar ze vinden het vast aardig klinken.
Gistereren las ik in het boek Pil van Mike Boddé (p156-157) een aardige reactie op die dooddoener en die wilde ik even delen.
“Met deze denktrant heb ik altijd moeite: je kunt niet bewijzen dat het niet bestaat, dus is het misschien een goed idee er toch in te geloven? Maar ja: ik kan ook niet bewijzen dat goudgerande, gebochelde dwergen met drie levers en vijftien harten en één diamanten niet, met uitpuilende paarse ogen en in het bezit van zeven gedeukte bakelieten Fiat Panda’s, die rijden op emeralden banden en lopen op gefermenteerde chocomel, en die elke woensdagochtend vanaf tien over elf alle plaatjes uit de Libelle knippen om ze daarna in te plakken in een poëziealbum, en dat vervolgens ritueel verbranden onder het zingen van het Friese volkslied, achterstevoren op de wijs van ‘Janus, Janus pak me nog een keer,’ niet bestaan, maar of dat nou voor mij een aanleiding is om er dan in te gaan geloven?”
Misschien dat ik die maar ga gebruiken, de volgende keer als iemand zegt dat ik het niet-bestaan van god niet kan bewijzen. Zodra die persoon het bovenstaande overtuigend kan weerleggen, zal ik het bestaan van god nog eens heroverwegen. Of niet, maar dat valt dan vast ook niet te bewijzen.
Mensen die niet zo veel ophebben met de Evangelische Omroep, krijgen jeuk van Andries Knevel—om zijn maniertjes en retorische vragen als hij iemand interviewt, maar ook, neem ik aan, zijn theologische gezever. Toch heb ik eerlijk gezegd heb ik altijd stiekem een zekere bewondering gehad voor Andries Knevel. Dat geldt met name zijn enorme belezenheid en toegewijde voorbereiding, want hij lijkt zijn gasten van tevoren al ruimschoots te hebben doorgespit. Bovendien komt in vele gesprekken een bepaalde reflectie naar boven die, ondanks het retorische karakter van zijn vragen, toch oprecht lijkt te zijn. Misschien is dat juist, omdat hij tijdens zijn meticuleuze lezen zelf tegen die twijfels opgelopen is.
Anders dan zijn Atheïstisch Manifest bestaat Philipses Filosofische Polemieken uit verschillende korte artikelen die hij schreef voor ondermeer het NRC Handelsblad. Dat maakt de onderwerpen nooit hoogdravend of langdradig, maar altijd kort en krachtig en heerlijk leesvoer voor ’s avonds op de bank, om even op adem te komen, of als er niet veel tijd meer is om nog even wat te lezen.
A quick search on my website teaches one that I don’t regularly write about religion. Usually, I keep it to myself, save for the occasional expression of my disbelief and a recent irreverent sneer at a text from the Bible (which, I am afraid, diminished the respect people had for me). This absence of religion is actually a bit strange, considering that my interests aren’t only historical or, might I say, dreamy about everyday life, but they also revolve around apologetics (defending faith in a deity) or disavowing the existence of gods.
There are two kinds of atheist: the strong and the weak kind: there are those who say “I do not believe that gods exist” (the weak kind, no positive conviction); there are those who say “I believe that no gods exist” (the strong kind, positive conviction).




