John Steinbeck, Travels with Charley in Search of America, (Penguin Classics, 2000), 210 pp.
Wat een zwetser was die John Steinbeck eigenlijk. Hij ondernam in 1960 een rondreis door Amerika en schreef daar vervolgens zijn Travels with Charley over. Het boekje staat al een poos in mijn kast—in een impuls aangekocht, nadat het genoemd werd tijdens een college over Amerikaanse reisverhalen—maar ik heb het nu pas opgepakt—nu Geert Maks Reizen zonder John op de bestsellerlijst staat. Mak maakt daarin dezelfde reis als Steinbeck, maar dan met zijn vrouw in plaats van een hond op de bijrijderstoel.
Steinbecks motivatie is echter heel anders dan die van Mak. Natuurlijk is er de ogenschijnlijke motivatie van beiden: om Amerika en de Amerikanen te leren kennen, maar eraan ten grondslag ligt een egoïstischer verlangen. Mak schrijft en reist graag over Amerika en Steinbeck voelt zich een oude man en wil zichzelf en de wereld bewijzen dat hij dat heus nog niet is en dat hij niet afhankelijk is van zijn vrouw. Daarom reist hij niet met zijn vrouw Elaine maar met zijn hond, Charley. Die zeurt niet aan zijn hoofd en zegt niet dat hij eigenlijk drie afslagen terug naar links had gemoeten. Nee, hij zal laten zien dat hij een moderne held is, die zelfstandig deze Amerikaanse Odyssee aflegt en onderweg van alles over het leven leert.
Die reis begint hij al met een discutabel uitgangspunt, namelijk: de “echte” Amerikaan woont niet in de stad; het “echte” Amerika is niet te vinden in de steden. Hij dwingt zichzelf daarom afstand te nemen van de grote snelwegen en wil hij zo veel mogelijk platteland en plattelanders zien: gewone lui, die de stem van het volk vertegenwoordigen. Waarom mensen dat toch altijd denken is mij een raadsel, want ook nu nog hebben Republikeinen het, als ze spreken van Real Americans, voornamelijk over mensen die niet in de steden aan de kust wonen. Het heeft iets nostalgisch, een verlangen naar een illusoire eenheid met de natuur, een romantisch wereldbeeld dat nauwelijks kan stoelen op de werkelijkheid.
Het gevolg is wel, dat het boekje voornamelijk gekenmerkt wordt door landschapsbeschrijvingen en oeverloos gekeuvel over klaterende beekjes, wiegende boomtoppen en kwetterende vogels. De buitenlui, als hij ze überhaupt al tegenkomt, zijn namelijk op zichzelf en spreken niet zo graag met vreemden. Hij vangt in een wegrestaurant enkele korte uitwisselingen op, die weinig om het lijf hebben. Wie voert immers om 7:00uur ’s morgens een gesprek over politiek met de serveerster?
Steinbeck rijdt naar Maine, raakt daar de weg kwijt, is onder de indruk van de natuur en het afgeschermde karakter ervan en is nog merkbaar gemotiveerd voor zijn reis. Nadat hij na een kwart van het boek, zo’n 50 bladzijden, New England amper heeft verlaten, vergaat de zin hem echter al snel. Met de rest van de Verenigde Staten nog voor de boeg, valt het verhaal een beetje uiteen in samengeklonterde stukken reis. Hij sprint door het Mid-Westen en arriveert in Chicago. Daar heeft hij afgesproken met zijn vrouw, wat hem doet besluiten niet te schrijven over zijn verblijf in de stad.
“Chicago broke my continuity. This is permissible in life but not in writing. So I leave Chicago out, because it is off the line, out of drawing. In my travels, it was pleasant and good; in writing, it would contribute only a disunity.” (95)
Het heeft natuurlijk niks met continuïteit te maken, maar alles met de bedoeling van zijn reis. Het verhaal gaat niet over zijn ontdekking van Amerika en de Amerikanen; een gelukkige episode van samenzijn met zijn vrouw in deze grote, belangrijke stad doorbreekt het manhaftige karakter van zijn grote solo-reis en daarmee zijn prestatie.
Na Chicago komt Winsconsin, de staat waar hij het meest van het landschap geniet omdat het zo gevarieerd is. Dan Californië, waar zijn observaties een mengeling zijn van herinnering en heden, omdat hij de staat waar hij geboren en getogen is niet meer terug herkent. Vervolgens Texas, zo groot en gevarieerd, dat hij in algemeenheden vervalt waarvoor je niet naar de staat zelf hoeft te rijden. Daar spreekt hij weer af met zijn vrouw en bezoekt hij kennissen voor Thanksgiving. De continuïteit van het verhaal, die in Chicago nog zo belangrijk was, heeft hij losgelaten en hij bespreekt uitgebreid het eetfestijn dat ze nuttigen.
Kortom, na New England zo langdradig te hebben besproken, raffelt Steinbeck Amerika af, alsof hij al gauw weer genoeg heeft van de reis, maar helemaal van het schrijven. Van de Niagara door Texas behelst nauwelijks twee keer zo veel tekst als zijn omzwervingen door Maine en aangelegen staten.
Toch bewaart Steinbeck het mooiste voor het laatst. Vanuit Texas leidt hij Het Zuiden al in, met de destijds zo belangrijke rassenkwestie. In 1960 zaten de zuidelijke staten middenin de burgerrechtenbeweging: het was zes jaar na Brown v Board of Education (1954) en drie jaar voor de “I have a dream” speech van Martin Luther King, Jr. Tijdens de reis van Steinbeck, worden scholen in New Orleans geïntegreerd, wat gebeurde onder politiebegeleiding en luide protesten.
In een van de interessantste beschrijvingen uit het boek gaat Steinbeck op een ochtend kijken bij een school, waar een zwart meisje naar een blanke school gebracht wordt. Een vaste groep moeders schreeuwt beestachtige dingen naar het meisje en haar begeleiders; de rest van de mensen staat er goedkeurend en instemmend bij. Steinbecks wordt als buitenstaander bevreemd door deze opstand en voelt weerzin tegen wat er gebeurt—het maakt hem misselijk. Hij eindigt het hoofdstuk met een inzicht, dat voor het gevoel enorm verschilt van de rest van het boek. Hij zet zijn observatie af tegen een context van ervaring: dit was niet het New Orleans dat hij kende; hij had er vrienden, aardige mensen met wie hij kon lachen en met wie hij fijne dingen deelde in deze prachtige stad. Hun afwezigheid had grote consequenties in de ogen van Steinbeck: “… they left New Orleans misrepresented to the world … unchallenged by the other things I know are there.” (196)
Na dit kleine hoogtepunt voert Steinbeck nog enkele figuranten op, die het rassenprobleem uiteen moeten zetten in verschillende visies. Hij spreekt met een racist, een zwarte man en een oudere man. Dat deze laatste zichzelf voorstelt als Monsieur Ci Gît—“hier ligt” als op een grafsteen—illustreert dat Steinbeck in het boek vooral verschillende karakters als personages laat opdraven in het verhaal dat hij wil vertellen over het Amerika dat hij tegenkomt op zijn reis. Het is als het bezoek van Abraham Lincoln aan een slavenmarkt in New Orleans, waar hij met gebalde vuist verklaart dat hij ooit een einde zal maken aan deze praktijk: het past mooi in het verhaal dat verteld moet worden, maar het is nooit echt gebeurd. De vele dialogen die hij voert met de hond, alsof Charley werkelijk terugpraat, getuigen hier eveneens van.
Na New Orleans doet Steinbeck niet eens meer moeite om het boek af te ronden. Hij schrijft alleen nog dat hij al klaar is met de reis, ruim voordat die is afgelopen: van zijn reis tussen West Virginia en New York merkt hij niks meer, alleen dat Charley blijkbaar ook geen aandacht meer heeft voor rustieke tussenstops en verkenningen van vreemde bomen. Dat tussen New Orleans en West Virginia nog het hele (Diepe) Zuiden ligt, moeten we voor het gemak maar vergeten. Belangrijker is, dat Steinbeck in New York de weg nog eenmaal kwijtraakt, voordat hij eindelijk weer thuis is—thuis, waar hij even geen held meer hoeft te zijn en weer in de watten gelegd kan worden door zijn vrouw, de “Fayre Eleyne.”
Want natuurlijk kon de beste man niet zonder haar.


Ik ben vermoeid en bezweet als ik aankom bij Lincoln Park, maar als ik richting het andere beeld dat Saint Gaudens van Lincoln maakte loop, weet ik dat het de moeite waard is. Het streng op bezoekers neerkijkende beeld blijft indrukwekkend om te zien, plechtige houding die de ernst van de situatie en de druk op zijn schouders destijds goed weergeeft. Het monument wordt afgemaakt door een halfronde muur en een mooie boompartij eromheen.
Langzaam dringt het tot me door: ik ben weer terug van vakantie en heb er alweer een volle week werken opzitten. Nu ben ik een nogal emotioneel snelgeraakte jongen, dus ik loop nog steeds wat stiller rond en zit nog vol met indrukken. Ik lees weinig en zit veel online, zonder dat ik daar bijzonder veel zinnigs te doen heb: ik chat wat met Megan en zoek naar interessante nieuwe mensen (waar ik even mee ga e-mailen en na een paar berichtjes zal dat vast weer doodbloeden, omdat deze emotionaliteit ook weer zal wegebben).
