Omdat het lezen in Moby-Dick maar niet wil vlotten door de lange, mooie, negentiende-eeuwse zinnen en ik het niet kan weerstaan de zondagmiddag met een boek in het lentezonnetje door te brengen, ben ik maar begonnen in iets ontspannenders: De Mississippi: Een Amerikaanse Reis (Atlas, 2002), over de tocht die Jonathan Raban ondernam in 1981 langs de slagader van Amerika. Maar ook daar ontkom ik niet aan de Melvilles Witte Walvis.
“Ooit trof ik het lichaam van een verdronken vrouw aan. Ze lag met haar armen en benen uitgestrekt op de oever [...] Bij het gerechtelijk vooronderzoek naar haar dood vernam ik dat ze een briefje had achtergelaten. Het was een verwarde, onsamenhangende brief, wrokkig en depressief, maar er stond niet echt in dat ze zichzelf van plan was om het leven te brengen. Het was alsof ze naar de rivier was gekomen zonder te weten wat ze zou gaan doen. [...]
Ik had het gevoel dat ik begreep wat de vrouw naar de rivier had gedreven. Ik wilde mezelf ook verliezen. Ik was niet van plan om ergens in het Midwesten in het mortuarium van een of ander klein stadje te eindigen, maar ik snakte ernaar om even voor de wereld weg te kunnen vluchten, me over te geven aan een machtige stroom die in mijn plaats de keuzen zou maken en letterlijk op drif te raken. De vrouw was naar de rivier gegaan om vertroosting te vinden en was er uiteindelijk in verdronken; ik ging eigenlijk om dezelfde reden, maar ik was wel van plan om te blijven drijven.” (p19-20)
Klinkt dat niet erg als de eerste paragraaf van Moby-Dick, die ik eerder al aanhaalde? (Hier in de vertaling van Barber van de Pol uit 1989, op blz 27 van de Athenaeumuitgave uit 2008.)
“Een paar jaar geleden … kwam ik op het idee een beetje te gaan varen en het waterige deel van de wereld te bekijken. Dat is mijn manier om het chagrijn te verdrijven en de bloedsomloop te prikkelen. Altijd als ik wat grimmige om de mond word; altijd als het in mijn ziel een dulle, druilerige november is; altijd als ik onwillekeurig blijf stilstaan voor begrafeniswinkels en me aansluit bij iedere rouwstoet die ik tegenkom, en vooral als de zwarte gal zo opspeelt dat er een streng normbesef voor nodig is om me ervan te weerhouden willens en wetens de straat op te stappen en bij iedereen stelselmatig de hoed van het hoofd te slaan—acht ik het hoog tijd om zo gauw ik kan naar zee te gaan. Dat is mijn surrogaat voor pistool en kogel.”
Om iedere twijfel weg te nemen loopt Raban in Minneapolis Hennepin Avenue op, een straat die vernoemd is naar een van de eerste verkenners van de Mississippi:
“Ik stopte bij een bar die de indruk wekte iets mannelijker te zijn dan zijn buren: ‘Moby Dick’s – Voor een Drink van Walvisformaat’. Aangezien ik net al door mijn onoplettendheid een Amerikaans epos over het hoofd had gezien, moest ik dat zien in te halen met zoveel klassiekers als maar mogelijk was. Een paar deuren verder was er ongetwijfeld een seksshop genaamd ‘The Scarlet Letter’.” (p24)
Het is alsof het universum me iets wil vertellen—alsof ik, in navolging van Kapitein Ahab, ook niet anders kan doen dan Moby-Dick najagen. Hopelijk eindigt mijn achtervolging succesvoller, of in elk geval iets minder dodelijk. Ik ben namelijk wel van plan te blijven drijven.










