Fourscore and Seven Books

Fourscore and Seven Books

van boeken en beesten, god en geschiedenis

  • Better World Books
  • De Slegte
  • Lincoln Book Shop
  • Partij voor de Dieren
  • Twitter
  • Home
  • Books
  • About me
  • Contact
  • Links

Hoe ik maar niet ontkom aan Moby-Dick

Posted in books by Herman1850
Apr 21 2013
TrackBack Address.

Omdat het lezen in Moby-Dick maar niet wil vlotten door de lange, mooie, negentiende-eeuwse zinnen en ik het niet kan weerstaan de zondagmiddag met een boek in het lentezonnetje door te brengen, ben ik maar begonnen in iets ontspannenders: De Mississippi: Een Amerikaanse Reis (Atlas, 2002), over de tocht die Jonathan Raban ondernam in 1981 langs de slagader van Amerika. Maar ook daar ontkom ik niet aan de Melvilles Witte Walvis.

“Ooit trof ik het lichaam van een verdronken vrouw aan. Ze lag met haar armen en benen uitgestrekt op de oever [...] Bij het gerechtelijk vooronderzoek naar haar dood vernam ik dat ze een briefje had achtergelaten. Het was een verwarde, onsamenhangende brief, wrokkig en depressief, maar er stond niet echt in dat ze zichzelf van plan was om het leven te brengen. Het was alsof ze naar de rivier was gekomen zonder te weten wat ze zou gaan doen. [...]

Ik had het gevoel dat ik begreep wat de vrouw naar de rivier had gedreven. Ik wilde mezelf ook verliezen. Ik was niet van plan om ergens in het Midwesten in het mortuarium van een of ander klein stadje te eindigen, maar ik snakte ernaar om even voor de wereld weg te kunnen vluchten, me over te geven aan een machtige stroom die in mijn plaats de keuzen zou maken en letterlijk op drif te raken. De vrouw was naar de rivier gegaan om vertroosting te vinden en was er uiteindelijk in verdronken; ik ging eigenlijk om dezelfde reden, maar ik was wel van plan om te blijven drijven.” (p19-20)

Klinkt dat niet erg als de eerste paragraaf van Moby-Dick, die ik eerder al aanhaalde? (Hier in de vertaling van Barber van de Pol uit 1989, op blz 27 van de Athenaeumuitgave uit 2008.)

“Een paar jaar geleden … kwam ik op het idee een beetje te gaan varen en het waterige deel van de wereld te bekijken. Dat is mijn manier om het chagrijn te verdrijven en de bloedsomloop te prikkelen. Altijd als ik wat grimmige om de mond word; altijd als het in mijn ziel een dulle, druilerige november is; altijd als ik onwillekeurig blijf stilstaan voor begrafeniswinkels en me aansluit bij iedere rouwstoet die ik tegenkom, en vooral als de zwarte gal zo opspeelt dat er een streng normbesef voor nodig is om me ervan te weerhouden willens en wetens de straat op te stappen en bij iedereen stelselmatig de hoed van het hoofd te slaan—acht ik het hoog tijd om zo gauw ik kan naar zee te gaan. Dat is mijn surrogaat voor pistool en kogel.”

Om iedere twijfel weg te nemen loopt Raban in Minneapolis Hennepin Avenue op, een straat die vernoemd is naar een van de eerste verkenners van de Mississippi:

“Ik stopte bij een bar die de indruk wekte iets mannelijker te zijn dan zijn buren: ‘Moby Dick’s – Voor een Drink van Walvisformaat’. Aangezien ik net al door mijn onoplettendheid een Amerikaans epos over het hoofd had gezien, moest ik dat zien in te halen met zoveel klassiekers als maar mogelijk was. Een paar deuren verder was er ongetwijfeld een seksshop genaamd ‘The Scarlet Letter’.” (p24)

Het is alsof het universum me iets wil vertellen—alsof ik, in navolging van Kapitein Ahab, ook niet anders kan doen dan Moby-Dick najagen. Hopelijk eindigt mijn achtervolging succesvoller, of in elk geval iets minder dodelijk. Ik ben namelijk wel van plan te blijven drijven.

     

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »

Moby-Dick; of, de woelige wateren van Melville

Posted in Uncategorized by Herman1850
Apr 15 2013
TrackBack Address.

In mijn eerste jaar American Studies trok ik bij het allereerste college, tijdens het voorstelrondje, mijn grote bek open. Iedereen voor mij stelde zichzelf voor—in wijfelend Engels, natuurlijk—met “I am Pietje, I am 18, I come from VWO, and I am interested in American culture.” Mij boeide het niet zo dat iedereen VWO gedaan had en het sprak voor zich dat iedereen geïnteresseerd was in Amerikaanse cultuur. De studie Amerikanistiek ligt niet voor de hand als je een lucratieve carrière voor ogen hebt. Nee, ik verveelde me en stelde mijzelf voor met de woorden “My name is Peter, I’m 23 years old; I want to move to the US, become its president and rule the world.”

Welnu, ik was aan het goede adres, want tijdens de studie leer je wel dat je, om president van de Verenigde Staten te kunnen worden, in het land zelf geboren moet zijn. Met andere woorden: tenzij Nederland alsnog wordt ingelijfd als de 51e staat van Amerika, kan ik helemaal geen Amerikaans Staatshoofd worden, hoe graag ik dat ook zou willen en hoe hard ik daar ook voor zou werken.

(Als lichte terzijde: dat is wel enigszins ironisch als je buiten Amerika geboren bent maar wel opgroeit binnen het Amerikaanse onderwijssysteem, waar je het credo “je kunt alles worden wat je wilt” met de paplepel binnen krijgt. Ja hoor, ook President, als je maar wel binnen de huidige landsgrenzen geboren werd. President Obama is wat dat betreft precies op het goede moment op Hawaii geboren, op 4 augustus 1961. Nog geen twee jaar eerder, op 21 augustus 1959, was Hawaii pas toegevoegd als 50e staat. Overigens is Herman Melville ook begin augustus geboren: 1 augustus 1819. Is dat relevant? Nou ja, hij is natuurlijk wel de auteur van Moby-Dick.)

Voor het te volgen vak moesten we allemaal een presentatie houden over een verhaal, een novelle of hoofdstukken van een boek en toen niemand zich vrijwillig meldde voor de bespreking van Moby-Dick, heb ik de opdracht toegewezen gekregen. “A big book about a big subject, is suitable for a man with big ambitions,” aldus de docente. Ik dus, met mijn grote mond. Het was een eer, zei ze, want Moby-Dick is een geweldig boek om te lezen. Lange tijd, “it was my great un-read novel,” bekende ze bovendien. Ze was tijdens haar studie begonnen in het boek en ze had het weggelegd, om het jaren later pas weer op te pakken en uit te lezen.

En weet je? Ik snap wat ze bedoelde. Voor mijn presentatie ben ik destijds niet verder gekomen dan enkele van de belangrijkste, benodigde hoofdstukken en ik heb een lulverhaal gehouden à la D.H. Lawrence in zijn hoofdstuk over Moby-Dick in Studies in Classic American Literature (zie mijn blogpost “Depth to Moby-Dick!”). Een paar jaar geleden heb ik weer een poging gewaagd, nadat ik een kleine biografie over Melville had gelezen (Herman Melville: a critical biography van Newton Arvin) en dat mijn interesse had gewekt. Hield ik het de eerste keer gezien na 80 bladzijden, nu kwam ik niet verder dan 180 pagina’s. Then life happened, denk ik, want ik heb het weggelegd en niet meer opgepakt. Zo gaat dat. Het is een te nemen horde geworden.

Maar ik heb het weer in handen genomen en me voorgenomen het nu eens wél uit te lezen. Ik wist van de vorige poging dat ik bij vlagen had genoten van de taal en Melvilles magnum opus wordt wel gezien als een van de grootste Amerikaanse romans, zeker van de 19e eeuw. Het is zelfs geschreven in het productieve en enorm interessante decennium voor de Amerikaanse Burgeroorlog. (Thoreaus Walden, Whitmans Leaves of Grass, Hawthornes The Scarlet Letter en Stowes Uncle Tom’s Cabin zijn werken die in dezelfde periode verschenen, om maar enkele voorbeelden te noemen.) Het heeft even met me meegereisd—in mijn tas naar het werk; het verhuisde van mijn bank naar mijn bureau en naar mijn slaapkamer—zonder dat ik het aandurfde om erin te beginnen. Wat als het me nou weer niet lukt op het uit te lezen? Wat zegt dat dan? Moet ik het dan maar gewoon opgeven en blijft het dan voor altijd mijn “grote, ongelezen roman”?

Toen ik het vorige week eindelijk toch opensloeg, kolkte het als een enorme golf over me heen: wat een prachtig zinnen, wat een taalgebruik, wat een beschrijvingen! Het leest niet als een trein, begrijp me niet verkeerd. Het is meer alsof ik langs het strand in het water waad. Anders dan bij Game of Thrones  van George Martin, bijvoorbeeld, past het niet om het boek snel te willen lezen; het is dan alsof je door dat kniehoge water probeert te rennen—dat gaat niet (nou ja, moeizaam, in elk geval). Als je echter de tijd neemt, rustig door het water wandelt en goed om je heen kijkt, luistert en ruikt, geniet je maximaal van Moby-Dick. Op elke bladzijde staan zinnen en beschrijvingen die ik wil citeren, bewaren, koesteren—die ik wil delen met de hele wereld!

Dat kan natuurlijk met behulp van twitter en facebook, maar liever dan mensen te gaan spammen met talloze berichtjes deel ik hier de eerste alinea, met het besef dat Melville zijn taal zelf al heeft gedeeld met de hele wereld; namelijk, als boek met de titel Moby-Dick; or, the White Whale. Het is verkrijgbaar bij de betere boekhandels (dus niet bij Bruna of AKO, want hij staat om onbegrijpelijke redenen niet in de huidige top-10). Ren de deur uit, neem vakantie op voor onbepaalde tijd en waad door de woelige wateren van Melville! Waar wacht je nog op?!

Loomings

“Call me Ishmael. Some years ago—never mind how long precisely—having little or no money in my purse, and nothing particular to interest me on shore. I thought I would sail about a little and see the watery part of the world. It is a way I have of driving off the spleen, and regulating the circulation. Whenever I find myself growing grim about the mouth; whenever it is damp, drizzly November in my soul; whenever I find myself involuntarily pausing before coffin warehouses, and bringing up the rear of every funeral I meet; and especially whenever my hypos get such an upper hand of me, that it requires a strong moral principle to prevent me from deliberately stepping into the street, and methodically knocking people’s hats off—then, I account it high time to get to sea as soon as I can. This is my substitute for pistol and ball. With a philosophical flourish Cato throws himself upon his sword; I quietly take to the ship. There is nothing surprising about this. If they but knew it, almost all men in their degree, some time or other, cherish very nearly the same feelings towards the ocean with me.”

Moby-Dick in Scheveningen

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »

Depth to Moby-Dick!

Posted in books by Herman1850
Apr 15 2013
TrackBack Address.

(Freshman year presentation held in November of 2003. I know it’s not very insightful, save for what it says about me.)

Here, drink up! Let us hunt the Great White Whale! But I must warn you, my pamphlet holds but questions; I do not hand out answers. Hear my mere suggestions. Or, as Melville said it through Ishmael: “Let us try. But in a matter like this (…) without imagination no man can follow another into these halls.”

Three questions were handed out to me, and they asked why Melville presented so many characters, races and personalities on the Pequod; what the ship and its crew symbolized and finally, what the journey meant. As I said, having but little imagination, my ramblings should not be considered those of any authority.

The multitude of characters, with their individual features, are meant to present the Pequod as a society, or as Marcus Cunliffe calls it, “a microcosm,” to give the whole a social framework. First there are the white men: the captain and his three mates governing the ship, and the working majority. Then there are the ethnic minorities: the Polynesian Queequeg, the Native American Tashtego, and Daggoo and Pip, of African descend. Or, as Lawrence says it, “many races, many peoples (…) under the Stars and Stripes.” And they all go along on the Pequod, the ill-fated ship that breathed doom through its name alone, being named after an extinct Indian tribe; the ship that would take them on a journey, never to reach their Tarshish.

So what did their journey mean? It was obviously one of doom, but what doom? And whose doom? What did the journey stand for?

Religious dogma, which would be blindly followed, even into oblivion? But Melville was not opposed to religion, as he was religious himself. In the transcendentalist tradition, the journey would resemble the search for self. Fitting that explanation into the story of Moby-Dick, that apparently leads to nothing but destruction of that self. So this explanation is to be discarded.

Or was it, perhaps, the future foretold in retrospect, by an epic prophet? As a warning for fascism; with its raging lunatic, and crowds cheering, themselves surprised at doing so, as likewise the “mariners began to gaze curiously at each other, as if marveling how it was, that they themselves became so excited at such seemingly purposeless questions.” Melville (peace be with him) in chapter 41 also captures the regret in hindsight, and the rationalization of the crew’s rage for the white whale, that they did nothing but fight evil in their perspective.

Or maybe the journey sands for utilitarianism in society, and is the story meant to illustrate Melville’s disaffection thereof. Utilitarianism basically means serving the general purpose of society (or any group as a whole). In Moby-Dick one issue, the pursuit of the Whale, is made the single common goal for the entire crew. When they fail to achieve this shared interest, however, their world is shattered and nothing of it remains. All is lost and nothing is left to reorganize. To single out one moral quest and forget about essential needs of survival (on a whaler the capture of whales for meat and oil), may leave you nowhere. Be it intentional or not, it was this Melville pointed out. For Melville it was still hypothetical, in our days we see the American war on terror and expanding military budgets announced as common goal, while poverty is rising and the country seem to be falling apart, bottom up, like a capsized boat. Who will help it back up? Who is the contemporary Starbuck, to tell Ahab what the people at home expect him to do?

Lawrence has yet another explanation. He speaks of the Pequod as the white soul of an American, and Moby-Dick as “the deepest blood-being of the white race; (…) our deepest blood-nature,” which is hunted down, in order to subject it to our will. And “we get the dark races and pale to help us,” eventually ending in nothing but “doom” and “suicide.” It is unclear what that means, exactly; what our “white soul” signifies, but it does sound rather ominous.

To me, the White Whale stands for the Grand American Dream. We pursue it all our lives, but never really catch it, and in the end it will drag us down. The smaller whales are the smaller dreams; they can be caught, and on regular basis are caught. The Great White Whale, however, cannot. Take that, Crèvecoeur!

A much more positive interpretation – for Americans – is handed to us by Michael Boughn. He thinks, that Ahab represents “the ever threatening encroachment of European values” on dear, unspoiled America, Ishmael, on the other hand, is born in those spaces and “at home in the unfounded, unbounded expenses of America.” Ahab dies; Ishmael lives. End’s well, all’s well.

But what if Melville and Lawrence prove right? Will people in the future dig up my box in the backyard, which will hold these questions and my Wordsworth Classics version of Moby-Dick? Who’s to know.

Eventually, it would take a three year journey to capture the full extension of Moby-Dick’s symbolism; and like the Pequod and its crew, we’re doomed to fail miserably. There’s Depth to Moby-Dick!

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »

Aanrader: Bij de beesten af! (boek)

Posted in animal rights, animals, books, Philosophy by Herman1850
Apr 07 2013
TrackBack Address.

Ondanks mijn goede voornemen dit jaar geen boeken te kopen,* ben ik toch gezwicht voor een boekje dat me via facebook onder de aandacht kwam. Erno Eskens en Floris van den Berg hielden trots een boekje omhoog, in het gezelschap van twee mij nog onbekenden.


Dat bleken Bastiaan Rijpkema en Machteld Zee te zijn, redacteuren van het boekje dat de titel Bij de beesten af! had meegekregen en dat bestond uit essays over dierenrechten, geschreven door welbekende auteurs als Paul Cliteur, Jonathan Safran Foer, Roger Scruton, Peter Singer en Marianne Thieme.

Zo’n werkje kon natuurlijk niet ontbreken in mijn kast, dus ik heb het vrijdag direct aangeschaft en gisteren in een ruk—met poes op schoot of naast me op de bank, in het zonnetje—uitgelezen. Al is niet elk essay even bijzonder, het geheel is interessant en goed te lezen en er staan zeer citeerbare dingen in (zoals verschillenden al hebben kunnen zien op facebook).

Bij de beesten af! is verdeeld in drie delen. Deel 1) Dierenrecht en religie gaat met name over het actuele onderwerp van de rituele slacht (maar ook over de besnijdenis). Paul Cliteur schreef een anekdote over een gesprek dat hij voerde een joodse atheïst, over (o.a.) koosjer eten als essentieel onderdeel van de joodse etnische identiteit en de vraag of dat van belang is. De precieze argumentatie is me nog niet duidelijk, dus misschien moet ik het binnenkort nog maar eens lezen.

In zijn essay gaat Floris van den Berg, in zijn typische, felle stijl, op zoek naar ethische consistentie, waarin hij constateert dat “het probleem zich voordoet dat wat moreel is niet noodzakelijk overlapt met dat wat wettelijk is” (p.42) en dat ethiek prioriteit verdient boven wetgeving, omdat daar het morele afgewogen is en zo ontdekt wordt wat gedaan dient te worden (in tegenstelling tot dat wat geoorloofd is volgens de wet). Het aanpakken van de rituele slacht zou, in de ogen van Van den Berg, betekenen dat we logischerwijs ook moeten kijken naar de consistente toepassing van die ethiek op de bio-industrie—die om morele redenen zal moeten worden afgeschaft.

Hoewel ik zijn morele argumentatie deel, heb ik minder vertrouwen op de consistentie van menselijke opvattingen. We handelen vooral intuïtief als het gaat om wat we wel en niet goedkeuren—en dat is niet alijd een consequent toegepast ideaalbeeld. Theorie en praktijk botsen dus, op dezelfde manier waarop wetgeving en ethiek kunnen botsen—en in tegenstelling tot het ideaal van Van den Berg, krijgt niet de ethiek maar de wetgeving de prioriteit.

Een van de essays die me het meeste verraste, is van de hand van Katholieke theoloog Erik Borgman, die redeneert dat het einde van de rituele slacht wel eens slecht zou kunnen zijn voor dieren. Het ritueel geeft namelijk een plaats aan respect voor het dier, dat verloren gaat als je alle dieren verdoofd maar industrieel slacht. Zo wordt het dier meer geobjectiveerd en creëer je een grotere afstand.

Natuurlijk gaat dat uit van de huidige situatie, waarin dieren inderdaad zijn verworden tot objecten, melk- en eifabrieken, die met honderden en duizenden het product leveren waar de boer van leeft. Liever zien de Partij voor de Dieren en dierenliefhebbers een eind komen aan de massaliteit van deze boerderij- en slachtpraktijken, maar daar is (vooralsnog) geen draagvlak voor te vinden in de politiek en samenleving. Het is een kwestie van picking your battles en kijken waar resultaat te behalen valt.

Het essay roept vragen bij me op en dat is positief, want dat zorgt voor bewustwording—van mijn standpunt en eventuele beperkingen. Jammer genoeg gooit Borgman zijn ruiten bij mij in, door te eindigen met theologisch gezwets waar ik helemaal niks mee kan (p.61):

“Ritueel slachten herinnert aan de schuld en geeft de schuld tegelijkertijd een plaats door het geheim van het geschonden leven terug te geven aan God als de bron van ale leven. Het overwint zo de impasse die deze schuld anders zou betekenen en maakt steeds opnieuw openheid mogelijk voor wat zich aan manifestaties van de intrinsieke waarde van het leven van dieren voordoet.”

Say what?

De essays in deel 2) Dierenrecht en politiek vond ik jammer genoeg minder interessant. Marianne Thieme trekt van leer in haar kenmerkende stijl van strijdvaardige retoriek over “Emoties en misbruik van dieren,” omdat men zich vooral laat leiden door impulsieve gewoonte-reacties (vlees is lekker, traditie, gezond, ja-maar, moeilijk). De weging van “De filosofische robuustheid van de Partij voor de Dieren” door Meindert Fennema valt wat mij betreft door zanderigheid in het water en Peter Singer doet wat Peter Singer altijd doet: hij schrijft een goed stuk over internationale samenwerking op het gebied van dierenwelzijnsverbetering en voedsel.

Deel 3) Dierenrecht en filosofie vond ik nog het interessantst. Ten eerste geeft Erno Eskens aan de hand van Plato’s metafoor van de Wagenmenner (het intellect), het witte paard (sociale orde) en het zwarte paard (levenslust; drijvende, fysieke kracht) een korte geschiedenis van drie dierenbevrijdingen (of drie veranderingen in relatie tussen mens en dier). Het onderstaande citaat (p.121) is niet bijzonder verhelderend, maar ik vond het niettemin de moeite waard om te noteren.

“In het tijdperk van de wagenmenner [oudheid en de middeleeuwen] hadden dieren op schilderijen vaak een symbolische functie. Ze waren een toonbeeld (de Latijnse term hiervoor is monstrum) dat door het intellect gelezen moest worden. De slang was een teken van onsterfelijkheid en de hond van de huwelijkse trouw. Sluwe dieren als de kat en de vos, die eigenzinnig en planmatig lijken te handelen, beschouwde men als duivelse wezens. Omdat dieren niet in staat zijn uit zichzelf doelbewust te handelen, moet er dus wel een intellect van buitenaf in het dier zijn gekropen. Maar wie zou nou in een lager wezen willen kruipen? Voor de middeleeuwse mens was did duidelijk: de duivel. En de duivel moest men bestrijden. Zo eindigden talloze katten als ketters op de brandstapel.”

De eerste omslag komt aan het einde van de Middeleeuwen, waarin het dier een eigen plaats krijgt, als dier, en wordt de mens een dier tussen de dieren. De tweede omslag is een reactie op de idee van Descartes, in de vroege 17e eeuw, dat dieren automaten zijn zonder gevoel. Spinoza (17e eeuw), Voltaire en Kant (beiden 18e eeuw) erkennen en argumenteren dat dieren wel degelijk gevoel hebben en dat ze daarom een humane behandeling verdienen. De derde dierenbevrijding vindt plaats in de 19e eeuw (p.124).

“Waar de eerste dierenbevrijding het dier losweekt van het intellectualisme en de tweede dierenbevrijding vooral een waardering inluidt van het dierlijke gevoelsleven, wil de derde dierenbevrijding de hindernissen voor een natuurlijke, organische ontwikkeling van het dier wegnemen. Vrouw, slaaf en dier worden in de 19de eeuw tegelijkertijd als biologische wezens bevrijd. Ze krijgen enige fusieke bescherming.”

Eskens beoogt een vierde bevrijding, waarin dieren worden opgenomen in een gelijkheidsbeginsel, waarin hun belangen behartigd worden en negatieve en positieve rechten geclaimd worden (p.130):

“Misschien is het grootste probleem wel dat wij dieren rechten geven. Rechten zijn geen aalmoes. Het is beter om ervan uit te gaan dat dieren alle mogelijke rechten hebben, en vervolgens die rechten te ontnemen die het dier niet kan dragen. [...] Dat is vooruitgang, want er hoeft dan niet gevochten te worden om rechten af te dwingen en we raken op deze manier af van de eenzijdige nadruk op negatieve rechten.”

Roger Scruton schrijft vervolgens een aardig stuk over “Onze liefde voor dieren,” waarin hij stelt dat goedbedoelde gevoelens voor specifieke dieren vaak slecht kunnen uitpakken voor hele groepen andere dieren. Hij legt daar vooral de connectie tussen vervreemding van de stadse mens en de natuur, zoals in onze liefde voor katten (p.155):

“Volgens een schatting gaan in Groot-Brittannië elk jaar 180 miljoen wilde vogels en zoogdieren verloren aan katten. De huiskat is, zonder uitzondering, de meest verwoestende van alle uitheemse soorten die op ons eiland zijn gebracht en het ergste daarvan is dat, dankzij de sentimentaliteit van de Britse dierenvriend, het een misdaad is om ze te schieten.”

Machteld Zee is sinds ze het boek van Jonathan Safran Foer gelezen heeft vegetariër en bekijkt enkele argumenten tegen dierenrechten, om tot de volgende conclusie te komen (p.180). “Na bestudering van de tegenargumenten ben ik niet meer zo overtuigd van de noodzaak van dierenrechten als toen ik begon met het schrijven van dit essay.” Dat is op zich niet vreemd, want als je eerst voor- en dan tegenargumenten leest, worden de eerste vaak gerelativeerd. Lees je vervolgens weer reacties op die tegenargumenten van de voorstanders, dan snap je die standpunten weer beter. Onbegrijpelijker vond ik de laatste regels van het essay: “In elk geval ervaar ik de plicht om geen hamburger te eten. Of misschien—af en toe—een kleintje. Hoe dan ook: voor nu voldoende food for thought.” (p.181) Ja, zeg dat wel.

Verreweg het interessantst vond ik de bijdrage van Bastiaan Rijpkema, over “Dierenrechten als politiek-filosofisch probleem,” waarin hij de plaats van dierenrechten in onze wetgeving en grondwet beschouwt, met een terzijde over de vraag of de grondwet voornamelijk heersende rechtsideeën zou moeten weerspiegelen of juist vaste ideeën die niet zomaar door een huidige meerderheid aangepast kunnen worden. Hij concludeert uiteindelijk (p150-151):

“Ondanks de aanzienljike politiek-filosofische bezwaren tegen rechtenproliferatie in het algemeen, kunnen deze bezwaren niet met vrucht in stelling worden gebracht tegen het idee van dierenrechten. Dierenrechten zijn geen ‘nieuwe rechten’, maar de (terechte) openstelling van oude, klassieke reechten—in gemitigeerde vorm—voor nieuwe subjecten. In plaats van verzet tegen die openstelling doen we er beter aan de wildgroei aan onze ‘eigen’ mensen- en grondrechten kritisch onder de loep te nemen. Wat we nodig hebbem is daarom niet meer rechten, maar minder rechten voor meer subjecten.”

In het laatste essay mijmert Jonathan Safran Foer een fijn einde aan het boekje, als hij verhaalt over zijn paradoxale relatie met George, zijn hond. Ondanks dat ze lastig en vervelend is, houdt hij van haar en geniet hij van hun wandelingen in het park, waar hij kan kijken naar hoe een hond een hond is.

Mijn conclusie, tenslotte, luidt dat dit boekje zeker een aanwinst is in de bibliotheek (in de kast, op de plank, op het nachtkastje, hoe veel ruimte je ook maar wilt inruimen) van de dierenliefhebber die geïnteresseerd is in gedachten over dierenrecht in relatie tot religie, politiek en de filosofie. Ik werd zelf enthousiast toen ik las wie eraan bijgedragen hadden en werd niet teleurgesteld. Waar enkele bekenden misschien minder opzienbarende essays geschreven hebben, wordt dat ruimschoots gecompenseerd door, bijvoorbeeld, Rijpkema. Ik ben benieuwd of we daar nog meer van horen in de toekomst—het lijkt me zeker een naam om in de gaten te blijven houden.

Bastiaan Rijpkema en Machteld Zee (red.), Bij de beesten af! (Bert Bakker, 2013), 228pp. €19,95

- – -
* Een aantal jaren geleden nam ik met hetzelfde voor, met diezelfde aantekening (en voldoende zelfbesef), dat ik geen aanschaf zou doen op Nederlandse bodem. Dat jaar zou ik op vakantie naar Amerika en ik wilde mezelf geen aankopen onthouden van boeken die ik hier nooit voor dergelijke prijzen zou aantreffen. Diezelfde gedachte leeft nog steeds in mijn achterhoofd: als ik in September en Oktober tegen interessante boeken aanloop, laat ik me niet weerhouden door een goedbedoeld voornemen.

Overigens heeft het de vorige keer een half jaar geduurd voor ik een boek kocht. Helemaal niet verkeerd, voor een boekenjunk als ik.

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
1 Comment »

Heb je je poes al geknuffeld?

Posted in Life, Philosophy, religion by Herman1850
Mar 17 2013
TrackBack Address.

‎”Als … atheïsten gelijk hebben, kunnen we net zo goed liegen, bedriegen en stelen, want meer dan dit leven is er niet en er zijn geen eeuwige consequenties.” (Geisler & Turek, Ik heb te weinig geloof om atheïst te zijn, p78.)

Dus alleen als iets eeuwige consequenties heeft is het van belang. Die liefdevolle aai over de bol van je kind? Laat maar zitten, want het heeft toch geen eeuwige significantie. Samen met een vriendin naar het strand? Pfff, zandkorrels in het oneindige. Even langs bij je ouders, verjaardag vieren met de familie of een mooie film op tv kijken? Waarom verdoen we onze tijd? We moeten naar de kerk, bidden om genade! Alleen dat heeft eeuwige consequenties. Niet het leven van de mensen om ons heen doet ertoe; alleen ons eigen leven na dit leven, dát is belangrijk. Tenminste, als we de bovenstaande christenen mogen geloven.

Wat een kolder. Hoe verzinnen ze het?

Voor atheïsten is juist wat je nu doet van belang, omdat alle consequenties in het nu plaatsvinden. Je bent belangrijk in je eigen leven, in het leven van de mensen om je heen, maar ook in het leven van de dieren om je heen, in élk leven waarin je een invloed hebt. Daarom is het zo van belang dat je je daar zo bewust van bent: wat doe ik vandaag met het leven van een ander? Wat voor gevolg heeft wat ik doe?

Die vraag van facebook is zo raar nog niet: “wat doe je?” Heb jij al van iemand gehouden vandaag? Heb je je poes al geknuffeld? Je hebt namelijk geen eeuwigheid om het te doen.

“Śpieszmy się kochać ludzi tak szybko odchodzą” ~Jan Twardowski

- – - -
P.S. Het wordt nog erger op het vervolg van de pagina (p.78-79):

“De Saudi’s leren hun kinderen misschien dat joden varkens zijn, maar in het westen leren we kinderen, dankzij het eenzijdige biologieonderwijs, dat er in wezen geen verschil bestaat tussen welke mens dan ook en een varken. Immers, als we slechts het product zijn van blinde natuurkrachten—als we niet door een god geschapen zijn met een speciale betekenis—, dan zijn we niets meer dan varkens met grote hersenen. Doet deze … atheïstische ‘waarheid’ ertoe? Wel als kinderen ernaar gaan leven. In plaats van goede burgers die mensen zien als geschapen naar het beeld van God, kweken we misdadigers voor wie het leven geen zin of waarde heeft. Ideeën hebben consequenties.

Dus je hebt een religieuze waarheid, waarin varkens onrein zijn en waarin een andere religieus-etnische groep om die reden met het dier wordt vergeleken, en dat is minder erg dan dat elders evolutie wordt onderwezen, waarin al het leven verbonden is.

Als atheïstische veganist zal ik niet ontkennen dat het leven verbonden is, maar ik trek juist de omgekeerde conclusie: dat we ook om dat andere leven kunnen—moeten?—geven omdat het relevant is. Liefde en lijden zijn relevant, niet alleen voor onszelf en niet alleen als het eeuwig duurt. Kijk maar hoe een vriend reageert als je op zijn teen staat, of een hond als hij levend gekookt wordt. Empathie wacht niet op de hemel.

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »

Tien boeken die me verleidelijk aankijken

Posted in books by Herman1850
Mar 16 2013
TrackBack Address.

Het is weer zo ver: terwijl ik nog bezig ben in het ene boek, lonken stapels andere boeken om gelezen te worden. Allerlei boeken die ik in handen krijg, of die ik in mijn kast heb staan, lijken me waanzinnig interessant. Ik wil ze vasthouden, lezen en de informatie die erin staat me eigen maken om wijzer te worden, meer te leren over de wereld waarin we leven.

Dit jaar heb ik me voorgenomen om geen boeken te kopen, omdat ik nog zo veel in de kast heb staan dat ik nog wil lezen, dat ik mezelf niet nog meer moet overspoelen met moois en interessants en verleidelijks. Tot nu toe is dat aardig gelukt, behalve een keer dat ik geen boek meegenomen had in de trein en acht boekloze uren in de trein me toch te veel van het goede werd.

(Dat boek Dier, Bovendier van Frank Westerman heb ik inmiddels uit en het is een aanrader. Zoals altijd neemt Westerman een onderwerp waar hij een persoonlijke band mee heeft, in dit geval de Lipizzaner paarden, en gaat ermee aan de haal in zijn typische vorm: een combinatie van geschiedenis, anekdote en reisverhaal. Zeer boeiend.)

Omdat er steeds weer nieuwe boeken in mijn blikveld vallen, heb ik me voorgenomen om een stapeltje van 10 te isoleren, om mezelf een beetje in de hand te houden—maar ook om mezelf te laten zien dat ik voorlopig heus nog niet toe ben aan nieuwe boeken, ook al zijn de onderwerpen nog zo interessant. Mijn keuze is gevallen op (in willekeurige volgorde):

1) Geisler en Turek, Ik heb te weinig geloof om een atheïst te zijn. Deze heb ik aangeschaft toen ik erg geïnteresseerd was in geloofsverdediging. De twee andere boeken die ik tegelijkertijd kocht (in Den Haag bij een christelijke boekwinkel) heb ik destijds meteen gelezen, maar vervolgens kwam er weer iets anders langs dat mijn aandacht vroeg.

Nu ben ik van plan het alsnog te lezen, omdat Steve Shives, beheerder van een youtube-kanaal dat ik volg, het boek per hoofdstuk bespreekt. Een aantrekkelijke manier om toch nog aan het boek toe te komen en te kijken of ik zijn gedachten erover deel.

2) Alexis de Tocqueville, Democracy in America. Als liefhebber van reisverhalen en 19e-eeuwse Amerikaanse geschiedenis ben ik wel lichtelijk beschaamd over het feit dat ik dit boek nog niet gelezen heb. Er zijn van die boeken—en dit is er een van—die me aankijken als een te nemen horde. Dit is een pil uit de negentiende eeuw en het kan alleen maar tegenvallen. Toen ik in de winkel een Nederlandstalige, ingekorte versie in handen kreeg, werd ik weer geconfronteerd met mijn verlangen om dit boek toch eens te overmeesteren. Hij ligt klaar. Nu kijken of ik er klaar voor ben.

3) Ida Tarbell, In the footsteps of the Lincolns is een boek over de geschiedenis van de Lincolnfamilie, die Tarbell nareist. Ook dit is zo’n combinatie van geschiedenis en reisverhaal, persoonlijke indrukken in het heden (we schrijven echter 1924, dus ook alweer een slordige 90 jaar geleden voltrokken) die verbonden worden aan wat zich een eeuw of meer eerder plaatsvond op diezelfde plek. Wie weet is dit een opstapje naar de vierdelige biografie die ze in de decennia ervoor schreef.

4) Tony Horwitz, Confederates in the Attic, is een geweldig boek over hoe de Burgeroorlog nog steeds leeft in het Amerikaanse Zuiden van nu. Omdat ik zelf in september naar Georgia, South Carolina en North Carolina wil, specifiek enkele plaatsen die hij bezoekt, wil ik me weer eens inlezen en inspiratie opdoen. Misschien kom ik nog interessante dingen tegen die me inspireren om bepaalde plekken te bezoeken. In elk geval is dit een van mijn favoriete boeken. (Had ik al gezegd dat ik houd van reisverhalen die de geschiedenis in het heden opzoeken? Nee? Nou, dat dus.)

5) Frans Verhagen, Lincoln: een geniaal politicus, de recentste Nederlandstalige biografie over Lincoln is prettig geschreven en geeft bovendien veel aandacht aan bijvoorbeeld John C. Calhoun, een prominente politicus uit het Zuiden en fervent verdediger van de slavernij. Toen ik de lezing van Verhagen bij Selexyz Donner bijwoonde, vorig jaar, had ik me voorgenomen om het boek in een ruk uit te lezen. Maar er kwamen andere dingen en andere boeken tussendoor. Binnenkort heb ik het uit, beloof ik mijzelf en mijn lezers (en Frans Verhagen).

6) Thierry Baudet, Aanval op de natiestaat, een momenteel veelgelezen boek (populaire bewerking van zijn dissertatie), die stelt dat de federalisering van Europa een inbreuk doet op de nationale soevereiniteit (en het democratische gehalte van de politiek) en dat dat geen goede zaak is. Baudet is EU-sceptisch, maar voor een sterk Europa, in de vorm van een samenwerking tussen zelfstandige naties. Hoe hij dat precies doet weet ik nog niet, want ik moet het boek nog lezen, maar het lijkt me reuze-interessant.

7) Bartlett, John C. Calhoun, een biografie over een begaafd maar tragische politicus uit South Carolina, de staat die zich menigmaal anti-federaal opstelde en in 1860 de eerste was die zich afscheidde van de Verenigde Staten. Toen was Calhoun al 10 jaar dood, maar hij is wel een van de grondbereiders geweest voor de ontstane politieke spanningen en de escalatie ervan. Welke rol hij precies gespeeld heeft, hoe hij zichzelf in het reine bracht met zijn radicale omwenteling van federalisme naar proponent van staatsrechten en waarom hij slavernij juist een positieve invloed op de samenleving vond.

8) Bostick, Charleston under Siege gaat, zo veel moge duidelijk zijn, over Charleston tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog. In de stad werden officieel de eerste schoten gelost van de oorlog (12 April 1861, om 4:30u ‘s morgens) en bleek niet in te nemen te zijn, ondanks constante bombardementen. Omdat ik Charleston in september wil bezoeken ben ik benieuwd naar de geschiedenis van de stad en wat zich er precies heeft afgespeeld.

9) Maartje Janse, De Afschaffers biedt een analyse van 19e-eeuwse reformatiebewegingen die zich onder andere richtten op de slavernij, drankmisbruik. Het zijn onderwerpen die ik interessant vind, vooral omdat de connectie vaak gelegd wordt met vegetarisme en het afschaffen van “de bio-industrie” (oftewel de intensieve veehouderij). In mijn achterhoofd leg ik bovendien het verband tussen het feit dat Lincoln geheelonthouder was en volgens velen ook vegetariër. Is er een logisch verband tussen dergelijke idealen? Wie weet leer ik daar meer over in dit boek.

10) James McPherson, For Cause and Comrades. In dit boek analyseert McPherson brieven en dagboeken van soldaten uit de Burgeroorlog en probeert aan de hand daarvan de motieven op te maken die ze hadden om te vechten—voor het Zuiden danwel het Noorden. Er wordt zo veel onzinnigs beweerd over redenen die mensen zouden hebben om wel of niet voor of tegen slavernij te vechten, dat dit boek een welkom, meer gefundeerd handvat zal zijn.

Dat is de stapel die momenteel op mijn bureau op me staat te wachten. Toegegeven, er staan geen boeken over vegetarisme en dierenrechten in (behalve misschien zijdelings het boek van Maartje Janse) en het zou goed kunnen dat deze stapel zich in de loop van de komende weken of maanden drastisch laat aanpassen. Toch zijn dit de boeken waar ik nu het verlangendst naar uitzie.

Laten we intussen niet vergeten dat ik nog steeds bezig ben in deel van The Song of Ice and Fire van George R.R. Martin: A Dance with Dragons. Er zijn nog ruim 100 bladzijden te gaan en Duszka lijkt me steeds vaker aan te sporen: “Heb je dat boek nou nog niet uit? Schiet nou toch op! Je hebt nog zo veel ander moois te lezen.”

Vooruit, ik geef mijn eigenwijze poes een aai en sla weer een bladzijde om. The Ugly Little Girl staat erboven. Ik ben benieuwd!

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
1 Comment »

Twitter+ over de vermeende goedheid van god.

Posted in Philosophy, religion, twitter by Herman1850
Feb 02 2013
TrackBack Address.

Twitter +

Voor je verder leest even dit: Coby, dit stukje vind je waarschijnlijk niet zo interessant, dus je kunt beter iets anders gaan lezen. Aan de rest van de lezers wil ik zeggen: deze blog is niet bedoeld als uitputtend betoog of om een positieve overtuiging naar voren te brengen; het is meer een tweetreactie van meer dan 140 tekens. Twitter+ dus. Maar dan warrig en onsamenhangend.

Want heb je dat ook wel eens, dat je iets op twitter zet of leest en dat je vervolgens een gesprek voert met iemand, maar dat twitter helemaal geen goed medium blijkt te zijn? In 140 tekens, inclusief de naam aan wie je iets schrijft, kun je niet echt handig nuances overbrengen. Dat is helemaal niet raar, overigens, want daar is het niet voor bedoeld. Denk ik, maar daar hoef je het niet over eens te zijn. Je mag zelfs een weblog schrijven over waarom twitter wel bedoeld en geschikt is om gesprekken en discussies  op te voeren. En stuur me een linkje. Of stuur me tweets om je argumenten kracht bij te zetten. Ik ben erg benieuwd.

Dirk van der Wulp

Ikzelf had recent op twitter dus een heen-en-weer over godsdienst met ene ene Dirk van der Wulp die, toen ik hem vroeg of hij religieus opgevoed was, zei dat hij dat niet zo interessant vond. Hij insinueerde vervolgens, dat ik andere visies dan atheïsme niet werkelijk een kans gaf.

Niet alleen is het vervelend als mensen zomaar iets over je beweren zonder dat ze je kennen, maar het illustreert ook dat mijn vraag wel degelijk relevant was. Zo blijven mensen doorgaans geloven waarmee ze zijn opgevoed. Statistisch ligt dat rond de 76%  bij christenen (in de VS). Dat doet, in combinatie met wat in de psychologie de confirmation bias wordt genoemd, vermoeden dat christenen die christen blijven vooral informatie geloven die hun geloof bevestigt. Dus vraag ik me af of Dirk zijn mening wel eens serieus aan de kaak gesteld heeft en zich echt heeft opgengesteld voor de argumenten die de fundamenten van zijn leven zouden doen schudden. Misschien wel, maar dat vindt hij dus niet zo interessant om te vermelden.

Ik heb met mijn leven laten zien dat ik mijn mening kan bijstellen als informatie me die kant opstuurt. Bovendien heb ik de “alternatieve levensbeschouwing naast atheïsme” geleefd, toen ik de eerste 20 jaar van mijn leven christen was en de daaropvolgende jaren via spiritualiteit en agnosme uiteindelijk atheïst werd.[1]

De redelijkheid van geloof

Vervolgens stuurt deze Dirk me twee links van Emanuel Rutten. De eerste ging “Over de redelijkheid van theïsme” en is, als ik me niet vergis, een samenvatting van diens dissertatie. Daarin wordt gesproken over wereldbeschouwingen als “praktisch-cognitieve totaalkaders waarbij de hele menselijke conditie in het geding is” en dat een theïstische wereldbeschouwing een “wijsgerige en géén positief vakwetenschappelijke vraag” is. Het theïsme is, volgens Rutten, “compatibel met de positieve vakwetenschappen” en tegelijkertijd geeft het “een samenangend antwoord op de grote oorsprongsvragen van de mensheid.”

Dat mag je van mij best geloven, hoor, maar ik vind het lariekoek. Zodra een theïstische visie namelijk samenvalt met de natuurwetenschap, wordt het een god van een onnoemelijk grote cosmos en een universum van, pak ‘m beet, 14 miljard jaar oud. De mens verschijnt ten tonele na zo’n, pak ‘m beet, 14 miljard jaar, op een onnoemelijk klein stukje in die cosmos. Vervolgens schrijft die mens na 100.000 jaar een boekje over een persoonlijke god, die de mens persoonlijk toespreekt en een klein woestijnvolk persoonlijk als het zijne kiest en de rest van de volken en dieren (die toevalligerwijs allemaal op dat kleine stukje woestijnland rondom dat volkje leven) wordt in verschillende volkerenmoorden uitgeroeid. Die god trekt het zich allemaal zo aan, dat hij zijn zoon, die hij zelf is, stuurt om de mensen op dat kleine stukje stof in zijn schepping, te redden, terwijl elders zwarte gaten hele stukken schepping opslokken, sterren exploderen en nieuwe sterrenstelsels gevormd worden. Eerlijk gezegd vind ik dat helemaal niet zo’n “samenhangend antwoord op de grote oorsprongsvragen van de mensheid.” Maar dat ligt vast aan mij. Ik sta vast niet open genoeg voor de argumenten voor het Christendom.

De goddelijke moraal

De tweede link was naar een weblog van Rutten, over de goedheid van god en de objectiviteit van de goddelijke moraal. Eerlijkheid gebiedt me te zeggen dat ik het stuk niet helemaal gelezen heb, omdat mijn oog al snel op argumenten viel waarvan ik, zoals ik aan Dirk meldde, moest lachen of huilen—ik zou hem nog laten weten welke van de twee precies. Wat volgt is niet een systematische uiteenzetting van een wereldvisie, maar mijn eerste reactie op enkele dingen die Rutten schrijft of beweert. Die reactie komt neer op: veel van wat hij schrijft kan nogal verwarren, want als je lekker moeilijk doet heeft de ander niet door dat het allemaal onzin is, met ongegronde aannames als fundament.

Scheppen is goed Waarom is God goed? Nu, God is als eerste oorzaak schepper van de kosmos. De door God geschapen kosmos toont zich aan ons als een harmonische zijnsorde. Nu komt het voortbrengen van een harmonische orde eerder toe aan een goed dan aan een slecht wezen. Het ligt namelijk niet voor de hand dat een kwaadaardig subject een samenhangende kosmos wil scheppen. Een slecht wezen zal eerder een bestaande natuurlijke harmonie willen vernietigen dan een harmonisch zijnsgeheel willen voortbrengen. Kwaadaardigheid is slechts in staat tot destructie, tot chaos, en niet tot creatie. Alleen een goed wezen zal iets willen scheppen, een natuurlijke zijnsharmonie willen creëren.

De argumentatie in het bovenstaande citaat trekt Rutten, hopelijk figuurlijk, uit zijn blote anus. We moeten eerst maar geloven dat er een god aan het begin van de kosmos staat. Daar is volgens mij werkelijk geen goed argument voor te verzinnen, maar daar denkt Rutten anders over. Prima. Doen we net alsof er iets mysterieus aan alles ten grondslag ligt, heeft hij ook eens wat. Hij vooronderstelt vervolgens een harmonische zijnsorde. Die gun ik hem, want ik heb niet zo veel kijk op cosmologie om hem dat te ontzeggen. Rutten gaat echter nog verder, omdat hij ook nog aanneemt dat harmonie goed is, dat alleen een goed wezen harmonie zou willen scheppen, dat kwaadaardigheid alleen in staat is tot destructie en dat, omgekeerd, destructie kwaadaardig is.

Dat zijn nogal wat aannames die hij doet, om te komen tot zijn conclusie dat god (wie?) goed is. Wat is goed dan? Dat laten we even in het midden, want god is goed en goed is wat god is of doet. Logisch toch? Hij vooronderstelt, kortom, dat wat hij probeert te bewijzen: god is goed, want hij is de schepper en, tja, scheppen is goed. Waarom is destructie niet goed en scheppen niet slecht, eigenlijk? Dat is vast behandeld in een andere weblog van Rutten. Misschien moet ik Dirk maar om nog een linkje vragen.

Rutten gaat vrolijk verder met filosofisch keuvelen en tovert een volgende argument uit zijn hoge hoed:

De objectieve standaard voor goed en kwaad is goed Een andere overweging vertrekt vanuit het idee dat er objectieve morele waarden bestaan. … De enige niet arbitraire plaats waarin universele objectieve waarden verankerd kunnen zijn is in de ultieme wereldgrond zelf, dat wil zeggen in God als God bestaat.

Dus we nemen aan dat er morele waarden bestaan. De rest is allemaal weer tamelijk onzinnig. Dat zijn god “de enige niet arbitraire plaats” vormt als ankerpunt van het goede is holle retoriek. Dat is juist onderdeel van de hele discussie: de god is arbitrair, het godsidee is arbitrair, het idee van een metafysische entiteit is arbitrair en dat zo’n god een objectieve moraal zou bepalen is al helemaal arbitrair. Dat is, nogmaals, het punt dat je wilt betogen, niet dat je kunt nemen als fundament voor je betoog.

Objectieve morele waarden zijn dus, als God bestaat, gegrond in Gods natuur. Maar dan moet God zelf goed zijn. Gods natuur kan immers alleen als objectieve standaard voor zowel goed als kwaad fungeren indien God goed is. Het kwade is immers secundair ten opzichte van het goede. Het kwade parasiteert als begrip namelijk op het goede net zoals bijvoorbeeld liegen op het spreken van de waarheid, chaos op orde, afwezigheid op aanwezigheid en duisternis op licht.

Objectieve morele waarden zijn dus, als god niet bestaat, gegrond in de menselijke natuur. Klinkt aannemelijk. Waarom de goddelijke natuur minder arbitrair is dan de menselijke natuur, begrijp ik niet helemaal. Waarom god goed moet zijn snap ik ook niet. Waarom alleen het goede de objectieve standaard is voor het slechte al evenmin. Stel je voor dat er een god is. Die kleit wat, rommelt wat met een planeetje, blaast daar zijn levensadem in en vindt dat het goed is. Dat is objectief, want god bepaalt, naar zijn natuur, wat goed is. Een poosje later is hij toch niet helemaal blij met wat hij gemaakt heeft (hij heeft blijkbaar iets anders geschapen dan wat hij geschapen heeft). Hij is teleurgesteld in wat het geworden is. Hij vindt objectief slecht dat wat hij eerder objectief goed vond. Dat is nu eenmaal zijn objectief goede natuur. Als hij de hele wereld uitmoordt is dat onderdeel van diezelfde,  goede natuur. Hij kan niet anders: god is goed.

God is van niets buiten God afhankelijk Een ander argument vertrekt vanuit de volgende overweging. Stel dat God niet goed maar slecht is. Als God daadwerkelijk kwaadaardig is dan moet God een wereld produceren om zijn slechtheid manifest te laten worden (bijvoorbeeld door het veroorzaken van pijn in deze wereld).

Het ironische wil, natuurlijk, dat christenen geloven dat de wereld vol kwaad, leed en dood is en de mens vol zonde. Als je de logica volgt van Rutten, zou je kunnen concluderen dat god dus slecht is. Dat wil zeggen, als we kunnen weten of pijn werkelijk slecht is. Hoe kunnen we dat weten? Hebben we daar al een objectieve bron voor?

Oh, natuurlijk, god is de bron van de objectieve moraal. Vervolgens leggen we gods karakter daarnaast en concluderen dat god wel goed moet zijn. Het is een beetje een heen en weer, een cirkeltje: er is een objectieve moraal door god en god is objectief goed, als je de definitie van goed hanteert die we afleiden van god.

Een eenzame God kan immers niet werkelijk slecht zijn. Wat zou een volstrekt eenzame God immers slecht kunnen maken? Een totaal narcisme? Dit lijkt echter geen slechtmakende eigenschap indien God de enige bestaande entiteit is. Zelfhaat? Ook dit maakt een wezen niet noodzakelijk slecht. Kortom, een slechte God moet een wereld voortbrengen om slecht te kunnen zijn. Een kwaadaardige God heeft dus iets nodig buiten zichzelf om kwaadaardig te zijn. Een goede God heeft echter helemaal niets buiten zichzelf nodig om goed te zijn. Het goede van een volstrekt eenzame God zou immers gefundeerd kunnen zijn in zijn onvoorwaardelijke liefde voor en trouw aan alles wat bestaat, ook al is dat in dit geval alleen God zelf. Maar dan is het redelijker om te denken dat God goed is in plaats van slecht. God is als zijnde de absolute zijnsgrond immers redelijkerwijs ontologisch zelfvoorzienend en dus niet afhankelijk van iets buiten God.

Laat ik dat eens omkeren: een eenzame god kan immers niet werkelijk goed zijn. Wat zou een volstrekt eenzame god goed maken? Zelfliefde? Een goede God heeft iets nodig buiten zichzelf om goed te zijn. Een slechte God heeft echter helemaal niets buiten zichzelf nodig om slecht te zijn. Het slechte van een volstrekt eenzame God zou immers gefundeerd kunnen zijn in zijn onvoorwaardelijke haat voor alles wat bestaat, ook al is dat in dit geval alleen God zelf.

Dat klinkt net zo overtuigend en net zo onzinnig. Waarom is om slecht te zijn een externe manifestatie nodig en om goed te zijn niet? Een niet-manifesterende god is, simpelweg. Hij zit te zijn en je hebt geen kwalificatie goed of slecht nodig om aan te duiden dat het is. Het is god. Klaar. En af en toe onaneert hij, wat hij lekker vindt, maar ook zondig van zichzelf, want masturberen is slecht en daar word je blind van. Gelukkig heeft god niets om te zien, want hij is toch maar alleen.

Het goede weten is het goede doen Aanvullend zou eventueel ook betoogd kunnen worden dat God onmogelijk kwaadaardig kan zijn als we uitgaan van het socratisch beginsel dat wie diepgaande kennis heeft van het goede altijd het goede zal willen doen omdat werkelijke kennis van goed en kwaad tot het inzicht leidt dat kwaadaardigheid noodzakelijk op termijn zelfdestructief is. God bevindt zich als de absolute zijnsgrond van de wereld namelijk in een maximaal ideale epistemische positie om voldoende diepgaande kennis te hebben van het goede en het kwade.

Het socratisch beginsel is volgens mij wederom een ongefundeerde aanname. Niet voor niets corrumpeert macht (en god is toch best machtig, zou ik zeggen) en loont misdaad. Vanuit een christelijke visie heeft de mens overigens kennis van goed en kwaad verworven door de vrucht te eten en juist toen werd de mens slecht. Toen ging hij zondigen. Een coherente christelijk-theïstische visie zou je dit dus niet kunnen noemen.  Zoals gezegd schiep god, de kenner van het goede, de aarde die nu zo vervuld is van het slechte. Het is maar een gedachte, maar overtuigend is het argument dus niet.

Bovendien, aansluitend op wat ik me eerder al afvroeg over de bepaling van goed en kwaad: wat maakt (zelf)destructie iets kwaadaardigs? Misschien is dat wel goed en zijn we, als we zelfdestructie willen voorkomen, slecht bezig.

Natuurlijk ben ik geen getrainde filosoof en valt er een heleboel aan te merken op mijn kleuterlogica (“waarom dan? Waarom niet?”), maar mij bekroop de gedachte dat er te veel vooraannames gedaan werden om tot zulke argumenten te komen. Je kunt niet concluderen dat god wel goed moet zijn, als je niet eerst kunt zeggen wat goed is. Als vervolgens gesteld wordt dat “goed” samenvalt met gods natuur, dan is het goede alsnog arbitrair, want wat de natuur van god ook maar geweest was, zelfs het tegenovergestelde van wat het genoemd wordt, dat zou dan goed zijn. Bovendien: wat bepaalt dat de natuur van god niet slechts “iets” is, maar dat daar ook een waardeoordeel aan vast hangt: het is “goed”? Zou goed dan synoniem moeten zijn met “wat god zou doen”—dus wel degelijk gelijk aan het discutabele euthyphro-lemma?

Twitter+ dus

Over reacties op twitter denk je meestal niet zo lang na. Dat hoeft ook niet: je hebt aan een enkele zin genoeg om snel even kenbaar te maken of je het wel of niet ergens mee eens bent. Ik vrees dat het bovenstaande eigenlijk niet veel beter overdacht is. Het zijn primaire reacties op de links die ik toegestuurd kreeg. Zoals ik in het begin al zei: het is een tweetreactie van iets meer dan 140 tekens.

Na deze woorden ben ik nog een antwoord schuldig aan Dirk en ik ben er nog steeds niet uit. Ik huil niet, ik lach niet, ik haal eigenlijk alleen mijn schouders maar op. Het zijn argumenten die voor de eigen parochie prediken. Mensen die al geloven zullen erdoor geraakt zijn; mensen die niet geloven zullen zeggen dat er te veel ongefundeerde aannames achter liggen. Het is de kunst om iemands hart en iemands hoofd te raken, die het niet al met je eens is. Misschien volgende keer, dan maar.

- – - noten – - -

[1] Op mijn 15e hield ik een spreekbeurt over vergeving en vertelde een klasgenoot dat zij, op basis van wat ik uit de bijbel concludeerde, naar de hel zou gaan. Op mijn 17e wilde ik nog predikant of pastoraal medewerker bij de EO worden. Later las ik Neale Donald Walsh en vond zijn opvattingen over god, schepping en zingeving logisch. Rond mijn 22e waren mijn ideeën zo ver opgeschoven, dat mijn opvattingen volgens een online enquête het dichtst lagen bij het Mahayana-boeddhisme. Je kunt bij al deze dingen kanttekeningen maken dat ze niet, feitelijk, laten zien dat ik wérkelijk een christen was of werkelijk boeddhist of werkelijk ietsist. Dat zijn echter heel andere discussies. Dan kom je uit bij de No True Scotsman drogreden.

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »

Abraham zou een goede kampbeul geweest zijn, want met god is alles toegestaan

Posted in Philosophy, religion by Herman1850
Jan 30 2013
TrackBack Address.

Fop Schipper is een aardige jongen; ik mag hem wel. Als ik hem ontmoet maakt hij een rustige, verstandige, vriendelijke en sociale indruk en hij lijkt goed na te denken over dingen die hij zegt. Ook op twitter maakt hij diezelfde indruk en de dingen die hij zegt zijn door de bank genomen interessant en stimulerend. Toch ben ik het bijna nooit met hem eens. Sterker, we zijn het zo vaak oneens, dat ik het me kan veroorloven om hem op een biertje te trakteren als we ergens wel hetzelfde over denken. Dat is toe nu toe welgeteld één keer gebeurd. En een keer bijna, maar toen was ik aan het werk in de winkel, dus dan trakteer je iemand niet op een alcoholische versnapering. Maar het was op het randje.

Recent stond op de rechtse rakkersite van De Dagelijkse Standaard een opstel met de titel “Kon je religie maar verbieden”. Dat kon de gelovige Schipper (mag ik Fop zeggen?) niet over zijn kant laten gaan, dus schreef hij als reactie “Als God niet bestaat is alles toegestaan” (behalve religie, blijkbaar). Want dat roepen christenen graag: dat je een god nodig hebt voor moraal. Hadden ze Plato’s “Euthyphro-dilemma” gelezen, dan krabden ze zich nog eens op het achterhoofd, maar dat doen ze niet. Wel doen ze net alsof ze De gebroeders Karamazov gelezen hebben, want keer op keer wordt Dostojevski er met de haren bij gesleurd. En dat is de passage van Fop (ach, ik doe het gewoon) waar ik op mijn beurt even op wil reageren.

… massagraven in de vorige eeuw staven de uitspraak van de Russische schrijver Dostojevski: “If God is not, everything is permitted”… Als je op basis van de kille cijfers de balans opmaakt is er maar één conclusie mogelijk. Atheïsme, en niet religie, is verantwoordelijk voor de grote massamoorden uit de geschiedenis.

Voor het gemak negeren we even de goddelijk geïnspireerde documentatie waarin god de hele wereldbevolking (inclusief bijna alle dieren) vermoordde, omdat hij spijt kreeg van iets wat hij zelf had gedaan (Gen 6:5-8). En om het nog makkelijker te maken geven we Fop gelijk en zeggen we met hem mee dat zonder god alles geoorloofd is. Zijn we ook van dat gedonder af.

Toch wil ik de volgende opmerkingen maken naar aanleiding van het bovenstaande citaat. Een Rus citeer je, in een Nederlandstalige blog, toch niet in het Engels, Fop? Er is recent nog een nieuwe vertaling verschenen van Arthur Langeveld. Als hij dood was (vermoord door een atheïst of christen, dat is niet zo relevant), dan had hij zich omgedraaid in zijn graf. Al zijn werk aan dit Russische meesterwerk was vergeefse moeite, want alsnog wordt Dostojevski achteloos aangehaald in het Engels!

Een tweede opmerking betreft een veelgemaakte vergissing. De uitspraak wordt namelijk niet gedaan door de Russische schrijver maar door een fictief karakter van zijn hand. Je gaat George Martin er toch ook niet van betichten dat hij gezegd heeft dat “Tywin Lannister goud schijt”? Als hij dat in een van zijn boeken laat zeggen, betekent dat niet dat hij het ermee eens is. Het zegt nog minder over het waarheidsgehalte van de claim. Er bestaat immers geen persoon Tywin Lannister en die niet-bestaande persoon heeft al helemaal geen last van goudpoeperij.[1]

Maar goed, nu terug naar de claim, dat zonder god alles toegestaan is. Ik wil daar namelijk tegenin brengen, of aan toevoegen, dat juist mét god alles geoorloofd is. Een aardig voorbeeld daarvan biedt Genesis 22, waarin Abraham de opdracht van zijn god krijgt om zijn zoon te offeren. En Abraham luistert. Waarom? Omdat het een goddelijke opdracht is, natuurlijk, en dan moet je daar wel naar luisteren. Zonder god mag dan alles geoorloofd zijn, maar met god werd een wrede daad zelfs ontegenzeggelijk opgedragen. Als god die opdracht niet gegeven had, zou Abraham er niet aan gedacht hebben om zijn zoon te offeren, maar god is god en een mens is een mens, dus niet alleen voelt Abraham zich geroepen om te luisteren, hij schakelt ook zijn gezonde verstand uit en daarmee zijn ethische afweging en zijn kritische vermogen om te zeggen “bekijk het lekker, er is geen enkele reden om mijn zoon te doden.”

Christenen of gelovigen of Fop Schipper benadrukken graag het tweede deel van het verhaal, waarin god Abraham zegt dat hij Isaak niet moet doden. Zonder deel één is er echter geen tweede deel nodig. Zonder de goddelijke opdracht was Abraham er überhaupt niet op gekomen om zijn zoon te slachtofferen. Nu is het een rare test in blinde gehoorzaamheid geworden, die Abraham met vlag en wimpel doorstaan heeft. Voor de verandering schaart Fop de nazi’s eens niet onder de atheïstische bewinden. Laat ik dan maar stellen, dat Abraham volgens mij een goede kampbeul geweest zou zijn, die na de oorlog aan het gerecht zou zeggen dat hij slechts bevelen opvolgde. Je moet toch doen wat van bovenaf opgelegd wordt? En behalve dat god opdraagt “gij zult niet doden,” draagt hij vaak genoeg genocide op aan zijn trouwe volgelingen (lees voor de gein de teksten Numeri 21:34-35; Deuteronomium 20:16-17; 1 Samuel 15:3; Ezechiel 9:5-6), zonder de volgende dag te laten weten dat het een les in gehoorzaamheid was.

Te vaak mondt de discussie over de al dan niet religieuze grond van de moraal uit in een rekensom, een potje verpissen over welk regime, welk (on)geloof nou meer slachtoffers heeft veroorzaakt en dus slechter is. Christelijke kruistochten, inquisities en heksenverbrandingen uit vroeger tijden worden naast communistische dictaturen gelegd, alsof je op die wijze kunt bepalen of de Verboden Vrucht in het paradijs een appel of een peer was. Daar doe ik niet aan mee. Mijn punt is simpelweg, dat juist mét god allerlei ellende mogelijk is en dat er dan bovendien een goddelijk gewicht in de schaal wordt gelegd.

Als veganist weet ik als geen ander: daar kun je niet tegenop redeneren. Als god stelt dat de dieren zich in onze macht, onder onze heerschappij bevinden en dat ze ons tot voedsel zullen dienen (Genesis 9:2-3), wie ben ik dan om te zeggen dat iemand beter vegetariër kan zijn, dat we niet zomaar mogen doen met dieren als we willen, dat we ook rekening moeten houden met het welzijn van dieren? God weet het altijd beter en god heeft altijd gelijk. Wij mensen zijn maar beperkte mensen, met een beperkte geest, dus we kunnen maar beter doen wat god zegt. Ook als dat massamoord tot gevolg heeft—of dat nou om dieren of mensen gaat.

Met god is alles geoorloofd, behalve zijn geboden niet volgen—zelfs als dat ertoe leidt dat vrouwen verkracht en baby’s vermoord worden. Ik heb het niet verzonnen, de gelovige zegt dat het goddelijk geïnspireerde geschiedschrijving is. Ook zonder god is alles geoorloofd, dus tevens het niet eens zijn met gods edicten, met zijn geboden, met zijn opdracht om mijn zoon te offeren of, in plaats daarvan, de plotseling verschenen geit. Zonder god moet je nadenken over wat ethisch is, wat goede regels zouden zijn om je aan te houden in deze wereld. Die normen en waarden verschuiven en dat is maar goed ook, anders zaten we nog steeds met een al dan niet verlicht despoot aan het hoofd van de groep, die bepaalde wat diende te gebeuren. Dan waren er geen burger-, neger- en vrouwenemancipatie geweest. Bijvoorbeeld.

Ik heb zo mijn vermoeden dat Fop Schipper het niet met het bovenstaande eens zal zijn. Gelukkig maar, anders zou ik hem nog op een biertje moeten trakteren ook.

- – - noten – - -
[1] “Lord Tywin Lannister did not, in the end, shit gold.”
George R.R. Martin, A Storm of Swords, (New York: Bantam Books, 2011), p.1073.

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »
Tagged as: ethiek, religie

Ik ben een vleeseter die geen vlees eet

Posted in food, veganism by Herman1850
Jan 06 2013
TrackBack Address.

Vrienden en bekenden hebben me het wel vaker horen zeggen: “ik ben een vleeseter die geen vlees eet.” Dat klinkt misschien raar uit de mond van een veganist, dus ik zal even uitleggen wat ik daarmee bedoel.

Vaak als mensen zeggen dat ze zo van vlees houden, zeggen ze dat het gaat om de smaak ervan; sommigen zullen zelfs verder uitleggen dat vlees een bepaalde structuur heeft die vlees zo onmisbaar maakt op hun bord. Dat begrijp ik goed, want door de smaak en het stevige karakter neemt vlees een heel andere plaats in op het bord dan groenten en aardappels  of rijst. Ik deel die behoefte aan iets met een bite op mijn bord. Als je de verschillende onderdelen—groente, granen of aardappels, vlees—niet door elkaar mengt of prakt maar elk een eigen plek op het bord geeft, dan heb ik zelfs een duidelijke voorkeur voor het stuk met structuur.*

Toch is dit geen reden voor mij om weer vlees te gaan eten. Er is namelijk niet zoiets als “de textuur” of “de smaak” van vlees, net zomin als de smaak of textuur van vleesvervangers. Een biefstuk, gehaktbal, spek of slavink verschillen net zo van elkaar als vleesalternatieven van elkaar verschillen. Daarom is het zo vreemd als mensen zeggen van vlees te houden en dat vleesvervangers zo smerig en slap zijn.** Als ze dat doen op basis van een sompige groenteburger die ze vijf jaar geleden gegeten hebben, hebben ze toch echt de explosie aan variaties op het gebied van vleesvervangers gemist.

Door die hoeveelheid verschillende producten kan het misschien even kosten om te ontdekken wat je precies lekker vindt, maar is dat niet hoe we altijd lekkere gerechten en producten uit de wereld ontdekken? Je proeft een appel en in de loop der tijd leer je welke soort je het lekkerst vindt; je gaat naar verschillende restaurants en komt zo te weten welke smaken en keukens je weet te waarderen. Hetzelfde geldt voor vegetarische eiwitbronnen. Ik hou bijvoorbeeld van de kroketten van Vivera, de falafel van Albert Heijn, de milde burger van Alpro, de kipburgers van Fry’s, de kipnuggets uit de vriezer van de Chinese Toko en de gyros van Healthy Planet—stuk voor stuk met een andere smaak, een andere bite, waar ik op dat moment maar zin in heb. En dan heb ik nog lang niet alle soorten genoemd die ik op mijn bord krijg.

Dus ja, ik snap heel goed als vleeseters zeggen dat vlees zo lekker is en dat het zo’n fijne structuur heeft. Ik snap alleen niet zo goed dat ze het daarbij laten. Er is zo veel meer lekkers te ontdekken in de wereld van smaaksensatie. Wie weet komen ze dan vanzelf tot de ontdekking dat je helemaal geen vlees nodig hebt voor een heerlijke maaltijd met smaak en structuur. Eten ze een of meer dagen een keer geen vlees. En wie weet worden ze op den duur, net als ik, een vleeseter die geen vlees eet.

 

Vegan gyros, met rösti-rondjes, tuinbonen en appelmoes.

- – - noten – - -

* Begrijp me niet verkeerd. Ik zeg niet dat vlees of vleesvervangers nodig zijn bij elke maaltijd, of dat ik alleen geniet van de seitan, de burger, de nuggets, en dat  de rest van de maaltijd voor mij irrelevant is. Helemaal niet. Ik geniet van groenten op mijn bord of van een heerlijk bord vol rijst, couscous of lasagne zonder vleesvervanger—en er zijn talloze maaltijden die ook compleet voelen en voldoening geven als je er geen vega-gehakt, gebakken tofu of falafelballen bij gooit. Wel heb ik gemerkt dat ik regelmatig een vleesvervanger wil en dat ik het prettig vind als er stevig onderdeel bij de maaltijd zit.

** Sterker nog, er is smaak- en structuur verschil tussen biefstuk van een rund dat afgemaakt is op gras en van een rund dat alleen maar graan en maïs is gevoerd. De meeste mensen kennen dat verschil niet, ze hebben meestal geen benul van hoe het dier op hun bord geleefd, laat staan gegeten heeft, maar toch zeggen ze steevast dat “biefstuk” zo lekker is, alsof het allemaal hetzelfde is.

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
1 Comment »

Marius de Geus en de zoektocht naar een duurzame partij

Posted in politics by Herman1850
Jan 01 2013
TrackBack Address.

Vandaag las ik een interessant interview-artikel met politiek filosoof Marius de Geus in de Trouw, over duurzaamheid in de politiek.

De Geus zegde zijn lidmaatschap van Groenlinks op, toen Femke Halsema een “ideologische ruïne” van de partij maakte. Met de weg die Groenlinks heeft ingeslagen, trekt hij de conclusie dat groene politiek geen toekomst meer heeft in Nederland.

Er worden vergelijkingen getrokken met Duitsland en België, waar partijen wel degelijk bezig zijn met een “diepgaand debat over ecologische ideeën” en een “duurzame, verantwoorde economie,” een diepgang die ontbreekt in Nederland. De Geus filosofeert over hoe je mensen kunt vertellen dat onze huidige levensstijl niet oneindig zonder gevolgen kan worden voortgezet. Hij “durf[t] best te zeggen dat het naïef is om te denken dat je klimaatproblemen kunt oplossen zonder dat het pijn doet,” maar dat lijkt voor Groenlinks niet zo te zijn: “GroenLinks moet ook duidelijker zijn tegenover de kiezer,” vindt hij. “Eerlijk zeggen: de huidige economische groei kan niet onbeperkt doorgaan. En als u kiest voor GroenLinks, dan kiest u voor een partij die dat vindt en daar de consequenties uit trekt.”

Ook de volgende uitspraak vond ik opvallend: “Als er één groep kiezers worstelt met hoe je moet leven volgens je idealen dan zijn zij het.” Weer doelt de filosoof op Groenlinksers.

Nou weet ik nog wel een aardige partij voor Marius de Geus. Het antwoord op zijn problemen met de partij staarde hem de afgelopen verkiezingen recht in het gezicht, vanaf de campagneposters. “Houd vast aan je idealen,” stond er te lezen. Het was niet zijn geliefde Groenlinks dat opriep tot economische matiging en het ideaal van duurzaamheid, dat durfde uit te spreken dat herbezinning nodig was voor de toekomst. Nee, het was de partij die meer dan eens genegeerd wordt door mensen van Groenlinks.

Ik raad meneer De Geus aan om eens het partijprogramma van de Partij voor de Dieren te lezen. Misschien wordt hij daardoor aangenaam verrast—door de klare taal, het lef, het feit dat al die dingen die hij zo mist bij Groenlinks wel degelijk te vinden zijn in de huidige politiek. Hij zal zien dat de groene politiek zeker een toekomst heeft in Nederland. Daarvoor hoef je alleen maar Partij voor de Dieren te stemmen.

Je bent van harte welkom, Marius!

En als je nu lid wordt, krijg je er meteen een leuk cadeautje bij: [klik hier voor lidmaatschap]

 

Share and Enjoy:
  • Facebook
  • Twitter
  • Hyves
  • RSS
No Comments yet »
Next page »

Follow Me!

 Facebook Twitter YouTube StumbleUpon RSS

By PDGACO payday loans uk

Categories

Twitter @87books

UTPW Presented by image consultant los angeles

Archives

May 2013
S M T W T F S
« Apr    
 1234
567891011
12131415161718
19202122232425
262728293031  
Powered by WordPress | “Blend” from Spectacu.la WP Themes Club